Levende taal

T. Pluim - 1921

Gepubliceerd op 18-08-2020

2020-08-18

Troef

betekenis & definitie

(troefkaart), met uitstooting der m van ’t Fr. triomph, uit ’t Lat. triumphus = zege, overwinning; immers de troefkaart o verwint de anderen. Daar is armoede troef = daar heerscht armoede (ze viert er haar triumfen; ze overwint al het andere).

Zijn laatsten troef uitspelen: nog het laatste middel, waarover men beschikt, aanwenden in de hoop te slagen, zooals een verliezend kaartspeler nog zijn hoop op den laatsten troef stelt.