Levende taal

T. Pluim - 1921

Gepubliceerd op 18-08-2020

Staan

betekenis & definitie

is een afleiding van den wortel stha = vast zijn, stijf zijn, niet bewegen, dus staan. Het woord heeft een talrijke familie; bijv. stad: de plaats, waar men staat, en meer algemeen: plaats; vgl. s/a^houder; bijvorm is stede: stedehouder; in stede van.

Te stade komen: hier heeft stade meer de bet. van: plaats, waar men gemakkelijk staan kan, een geschikte ruimte, wat voor ons geschikt is, wat hulp geeft, enz. Stadig (thans versterkt tot gestadig) wil letterlijk zeggen: wat een vaste stade heeft, wat dus vaststaat, voortduurt, niet verandert, evenals „bestendig'” = wat een stand heeft. Letterlijk hetzelfde als gestadig,is steeds (= stedede bijwoordelijke s ). Een bijvorm van sta is stand (bijv. in ’t Oudsaksisch was staan nog standan); vandaar ons: stand en bestendig, evenals de standen of stenden van ’t landsbestuur: zij vertegenwoordigen nl. de verschillende standen van ’t land. En dit stand bet. de stand (of toestand), waarin men zich bevindt: rijkdom, adel, geestelijkheid, enz. Hetzelfde is staat, afgel. van ’t Lat. status (= verl. deelw. van stare = staan): de stand, de staat, waarin men zich bevindt, vandaar dat staten (evenals standen of stenden) ook de volksvertegenwoordiging beteekent. Zoo kreeg Staten (Provinciale, Algemeene) de bet. van regeering, en verder ook van hun gebied = de Staat, het land, het Rijk.In ’t Lat. heeft men een woord statio (Fransch: station), letterlijk: de plaats, waar men blijft staan, dus rust- of standplaats. Inzonderheid wordt zoo genoemd de plaats, waar de processie in de R.-Kath. Kerk bij een der tafereelen uit Jezus’ lijden blijft staan en bidt. Het tafereel zelf kreeg ook den naam van statie, terwijl staatsie de plechtigheid bij zulk een bidplaats aanduidt; vandaar werd staatsie: indrukwekkende plechtigheid; bijv. lijkstaatsie In ’t Vlaamsch is statie ons station — rustplaats van den trein. In plaats van staatsie, zegt men ook wel staat: een grooten staat voeren; en hiervan statig = vol staatsie.

Ook een standje krijgen behoort tot de familie van staan. Het bet. eigenlijk: een standje (een stil-blijven-staan) op straat, en daar dit meestal door een twist, een scheldpartij veroorzaakt wordt, werd standje synomien met: een bekijving, een uitbrander.

Nóg grooter is de familie van den wortel sta; zoo heeft men stam = het staande deel van den boom, want m was in ouden tijd óók een achtervoegsel achter stammen van werkw., bijv: bloem van bloe{i)en (vergl. bloesem^, molm van malen, kruim van kruen, krouwen, galm van galen (zie Nachtegaal), enz. Met stam zijn ook verwant: stamelen (blijven staan ’in ’t spreken), stom, onstuimig (zie dat .woord).