Levende taal

T. Pluim - 1921

Gepubliceerd op 18-08-2020

2020-08-18

Kaart

betekenis & definitie

Ook aan het zoo algemeen gebruikelijke kaartspel zijn verschillende uitdrukkingen ontleend.

1. Alles op één kaart zetten: aan één kans alles wagen; het is ontleend aan een hazardspel, waarbij de speler, die op één bepaalde kaart een zekere som zet, dit bedrag verliest of een zelfde som wint.
2. Iemand in de kaart kijken: zijn bedoelingen doorgronden; letterlijk: zien welke kaarten de tegenpartij in de hand heeft en dus weten, wat hij doen zal.
3. Met open kaart spelen: openlijk voor zijn meening uitkomen, niets verzwijgen. Letterlijk: zijn kaarten open op tafel leggen, zoodat voor de tegenpartij niets onbekend blijft.
4. Een doorgestoken kaart: een in ’t geheim afgesproken zaak. Men denke hierbij aan den speler, die de winnende kaart zoo weet door te steken (te „schudden”, te mengen), dat hij haar in zijn bezit krijgt, terwijl het allen schijn heeft, of dit slechts toeval is.