Levende taal

T. Pluim - 1921

Gepubliceerd op 18-08-2020

Beul

betekenis & definitie

d. i. scherprechter; bij uitbreiding: een wreedaard; iemand, die van kwellen of martelen houdt. Oorspr. luidde het woord beudel en was afgeleid van bieden, d. i. het vonnis aanzeggen, aankondigen, zooals een bode ons nog een of ander aanzegt.

De beul was dus oorspr. de gerechtsbode; eerst later werd deze naam gegeven aan den voltrekker van het doodvonnis. Spreekwoordelijk werd de beid van Haarlem („zoo brutaal als de beul van Haarlem”), daar deze later de eenige in Holland was en dus ook in andere steden dienst deed.