ging voort, is vooruit'gegaan:
1. voor een ander uitgaan, vooropgaan: de stadsbode ging vooruit;
2. voorwaarts gaan, vorderen: je moet wat meer vooruitgaan;
3. beter worden, herstellen; in betere conditie komen; in bloei toenemen: de zieke gaat wezenlijk vooruit; zijn zaken gaan langzamerhand vooruit.