Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

trouwen

betekenis & definitie

trouwde, heeft (1, 3), is (2) getrouwd;

1. in de echt verenigen: de dominee trouwde hen;
2. in de echt verenigd worden: dit paartje is vandaag getrouwd; zo zijn we niet getrouwd, dat is niet de afspraak, de overeenkomst;
3. ten huwelijk nemen: een onbemiddeld meisje trouwen; een groot fortuin trouwen, rijk trouwen; fig. je bent er niet aan (of mee) getrouwd, voor altijd aan vast.