Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

keren

betekenis & definitie

I. keerde, h. gekeerd ([de vloer] vegen [met een bezem]): de meid gaat de straat keren; keer voor je eigen deur; inz. Z.-N;

II. keerde, h. (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8), i. (9, 10, 11) gekeerd (1 een omdraaiende, omwentelende beweging doen maken; 2 iets zo draaien, dat het onderste boven komt; 3 iets zo draaien, dat het binnenste naar buiten komt; 4 de tegenovergestelde richting doen aannemen; doen teruggaan; afweren; 5 in een zekere richting brengen; 6 toewenden; 7 refl. zich omdraaien; 8 refl. zich in een bepaalde richting draaien, wenden; 9 een omdraaiende, omkerende beweging maken om een verticale as; 10 omslaan, de tegenovergestelde kant uitgaan; 11 terugkeren):

1. het achterste (van iets) voren (of: voor) keren, iets (het) achterste voren keren; (van iets) het onderste boven keren;
2. iets wenden en keren, telkens en nog eens weer omkeren; hooi, vlas enz. keren, op zijn tijd omzetten, omgooien;
3. zijn rok(je) keren, fig. van partij enz. veranderen; een gekeerde jas, zo vernaaid, dat de binnenzijde buiten komt;
4. de steven keren; niet (meer of: weder) te keren, tegen te gaan; de hand des Heren kan niemand keren;
5. het hoofd, de blik naar iem. keren; iets ten goede (of: ten beste) keren;
6. de rug aan (of: naar) iem. of iets keren; iem. de rug keren;
7. zich ergens niet kunnen wenden of keren;
8. zich naar iem. of iets keren, fig. met een verzoek zich wenden; zich ten goede keren; in zichzelf gekeerd, afgetrokken; zich aan iem. of iets niet keren, geen aandacht schenken aan;
9. linksom keert! 10. geen nood, het zal wel keren;
11. van waar hij naar zijn vaderland keerde; per kerende post, omgaande; nog: Z.-N. de melk keert, wordt zuur.