Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

Jan

betekenis & definitie

m. Jannen, Jantje (1 eig.

Joannes, eigennaam van een man of jongen; 2 matroos v. e. oorlogsschip inz. der Kon.Ned. marine; 3 koffiehuisbediende; 4 persoon of zaak, opvallend door bijzondere eigenschappen): 1 Jan en alle man, iedereen, alle mensen; beter blode Jan dan dode Jan, beter wat voorzichtig zijn dan gevaar, schade te lijden; Jan, Jannetje en hun jongste kind, het Hollandse, Nederlandse volk; Ome Jan, de lommerd;
2 onze Jantjes;
3 Jantje, één koffie;
4 de grootste Jannen der Academie; een Jan van een baars, kanjer; Z.-N. een Jan een Piet; Z.-N. den Jan uithangen; nog: boven Jan, onder (of: beneden) Jan zijn, a) uitdr. bij verschillende spelen, b.v. kaartspel, b) de moeielijkheden overwonnen hebden; dat is Jan sigaar, (stud.) je; zie ook Jan Compagnie enz., Jantje.