Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

gelijk

betekenis & definitie

I. bn. (in het algemeen: geheel met elkaar overeenstemmende in zekere hoedanigheden of (Overeenstemmende in de onderdelen; in bijz. toepassing: 1 overeenkomende in rang, stand, macht, rechten, plichten; 2 overeenkomende in waarde of belang; 3 de juiste tijd aanwijzende; overeenkomende met de standaardtijd; 4 effen, vlak): met gelijke wapenen; van gelijke rang; in gelijke mate; te gelijker tijd;

1. zij wilden Gode gelijk worden; voor de wet zijn alle burgers gelijk;
2. het is mij gelijk, hetzelfde; meetk. driehoeken met gelijke basis en gelijke hoogte zijn gelijk van inhoud, d. i. bevatten evenveel malen de gemene maat; zie munt;
3. is uw horloge gelijk? juist van tijd;
4. de weg is overal gelijk, zonder oneffenheden en kuilen; gelijk van humeur zijn, altijd hetzelfde humeur bezittende; zegsw. met de grond gelijk maken, slechten, slopen; nog: zich zelf (steeds) gelijk blijven (of: zijn), blijven handelen in overeenstemming met eens aangenomen beginselen of gewoonten; zie kap;

II. bw. (1 op gelijke wijze; 2 op evenmatige wijze, gelijkelijk; 3 op hetzelfde punt, even ver, even hoog; 4 tegelijkertijd; 5 in gelijke graad, evenzeer):

1. de kinderen zijn gelijk gekleed;
2. gelijk (op) delen;
3. de twee fietsers bleven lang met elkaar gelijk;
4. de twee treinen kwamen gelijk aan; 5. als versterkende bep. bij vgw. vero. Bijb. Wij brommen alle gelijk als de beren Jes.59:11;

III. o. (oorspr. billijkheid; met gewijzigde bet. in uitdrukkingen):gelijk hebben aan (of: in) iets, de billijkheid voor zich hebben, goed, naar behoren handelen; sterker: groot (of: schoon) gelijk hebben; iem. groot (of: schoon) gelijk geven in iets, erkennen, dat hij behoorlijk handelt; iem. in het gelijk stellen, verklaren dat hij goed gehandeld heeft, of dat zijn bewering juist is; gelijk hebben (in iets), een mening of bewering uiten, die met de waarheid overeenstemt; gelijk heb je; daar heb je gelijk aan; altijd gelijk willen hebben, altijd volhouden, wat men beweerd heeft, nooit zijn vergissing erkennen; nog (v. e. zelfst. nw. gelijk met een andere grondbetekenis): tegelijk, tegelijkertijd; (ik wens je) van ’s gelijken, hetzelfde;

IV. vgw. (1 evenals, zoals, als; 2 Z.-N. terwijl, op hetzelfde ogenblik dat):

1. hij deed, gelijk hij sprak; hij stamelde gelijk een kind;
2. Z.-N. gelijk ik mij omdraaide, stond hij daar;
V. gelijke, z. ald.