Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

gebouw

betekenis & definitie

o. in bet. 2 -en, gebouwtje (1 het telkens of voortdurend bouwen; 2 hetgeen gebouwd is, een bouwwerk):

1. dat gebouw heeft hem al heel wat geld gekost, hij heeft een ware bouwkoorts;
2. een gebouw is een getimmerte van verschillende materialen, bestemd tot een duurzaam gebruik ter plaatse,waar het zich bevindt; een groot gebouw; fig. het gebouw uwer plannen; spreekw. Zoals de grondslagen zijn, is het ganse gebouw.