Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

boren

betekenis & definitie

boorde, h. (1, 2, 3), i. (3) geboord (1 met een boor of puntig werktuig een gat of hol maken; 2 [iem. of: zich] iets draaiende, wringende enz. ergens in of doordrijven; 3 zelf heen of door iets heen dringen inz. fig. en lit. t.):

1. een gat in een plank boren; fig. een tunnel boren; de hersenpan boren, trepaneren; kaas, boter boren, een zekere hoeveelheid als monster er uit boren; e. cylinder boren, een massief stuk metaal tot een cylindervormige buis uithollen; dat gat boor je niet, dat zal je niet lukken;
2. iem. een degen door (of: in) het lijf een ring door de neus boren; iem. iets door de neus boren, a) door list iets doen verliezen, afzetten, b) onthouden, waarop hij rekende, of recht meende te hebben;
3. door het hart boren; de granaat boorde wel 2 m in de grond; de toren boort door de wolken; nog: een schip in de grond boren, doen zinken door beschieting, een torpedo.