aap betekenis & definitie

m. apen (1 bekend zoogdier; 2 fig. dom, lelijk, boosaardig enz. schepsel, met de eigenschappen v. e. aap):

1 apen (Lat. pitheci) der oude wereld (catarrhina) o. a. gorilla’s, chimpansé’s, orang-oetans; der nieuwe wereld (platyrrhina) o. a. brulapen, slingerapen; 2 je bent een rechte -; die van een jongen! zegsw. iem. voor den houden, voor de gek; -, wat heb je mooie jongen spelen, iem., die men vreest of ontziet, vleien door zijn kinderen of hoedanigheden te prijzen; de kwam uit de mouw, de heimelijke bedoeling bleek; in den gelogeerd zijn, a) een slecht logies hebben, b) er slecht aan toe zijn; den binnen (of: beet, of: weg) hebben, het geld in zijn bezit; Z.-N. de van het spel zijn, het kind van de rekening.