György Ligeti betekenis & definitie

György Ligeti (Dicsöszentmárton-Transsylvanië 1923) is een Hongaarse componist, die als uitvinder van de microtonale klankruimtes en met werken als Atmosphères en Lux aeterna in de jaren '60 van de 20e eeuw wereldroem verwierf.

Ligeti creëerde een muziek die hij eens heeft vergeleken met 'een stilstaand vlak dat alleen glinstert en alle kleuren van de regenboog vertoont'. Hij brak met de hegemonie van de seriële schrijfwijze en plaatste tegenover dit rigide systeem een muziek waarin klank en sfeer centraal staan. In geluidscomposities als Aventures of Clocks and Clouds, in complexe ritmisch-polyfone werken als Continuum en door experimenten met afwijkend gestemde instrumenten kon de componist zijn klankmiddelen verder uitbreiden. Tot op de dag van vandaag is Ligeti op zoek naar nieuwe klankmiddelen. Ieder nieuw werk van deze meester trekt in de muziekwereld grote aandacht.

Van Roemenië naar Hamburg en Wenen:
György Ligeti werd als zoon van Hongaarse ouders zijn vader was bankbeambte, zijn moeder oogarts in een kleine Roemeense stad geboren. Op veertienjarige leeftijd leerde hij pianospelen en begon hij te componeren. Na de middelbare school schreef hij zich in aan de universiteit te Cluj (Klausenburg) voor de vakken natuurkunde en mathematiek; tegelijkertijd volgde hij aan het plaatselijke conservatorium harmonieleer en contrapunt, en kreeg hij cello- en orgelles. Na de oorlog (1945) zette Ligeti zijn studies bij Sándor Veress en Ferenc Farkas in Boedapest voort. De kennismaking met de muziek en het etnologisch veldwerk van Bartók werd voor hem een beslissende ervaring. Op grond van uitstekende prestaties werd Ligeti na zijn studie aan het conservatorium te Boedapest benoemd tot docent harmonieleer. Vanwege de benauwende communistische kunstideologie en zijn daaruit voortvloeiende artistieke isolement vluchtte hij - vlak na de invasie van het Russische leger in Hongarije - in 1956 naar het Westen. Zijn eerste toevluchtsoord was Keulen waar hij bij Karlheinz Stockhausen, met wie hij reeds in Boedapest contact had gelegd, tijdelijk onderdak vond. Ligeti verdiepte zich in uiteenlopende westerse stromingen en werkte aan de toen nieuw opgerichte Keulse 'Studio für elektronische Musik'. Met Atmosphères (1961) brak de componist artistiek door. Sindsdien leeft deze succesvolle kunstenaar, die in 1966 de Oostenrijkse nationaliteit aannam, afwisselend in Hamburg en Wenen. Tussen 1973 en 1988 was Ligeti werkzaam als hoogleraar voor compositie aan de Staatliche Hochschule für Musik te Hamburg. De met vele internationale prijzen overstelpte kunstenaar behoort tegenwoordig tot de meest gelauwerde componisten.

Imaginaire klanklandschappen:
Ligeti beschrijft zijn werk als een associatieve 'niet-puristische' kunst die onderworpen is aan velerlei buitenmuzikale invloeden: 'Mijn muziek is niet puristisch. Ze is besmet door waanzinnig veel associaties. Met klanken verbinden zich vormen en kleuren, waarbij indrukken uit de beeldende kunst en de literatuur, maar ook wetenschappelijke en politieke aspecten en een heleboel andere dingen voor mij een grote rol spelen. Dit verklaart de buitenmuzikale verbanden in mijn composities. Klinkende vlakken en massa's, zwevende netwerken, brokstukken, fragmenten en sporen van allerlei soort [...]. imaginaire gebouwen, labyrinten, opschriften, teksten, dialogen, insecten [...], toestanden, gebeurtenissen, transformaties, rampen, verval [...] - dat zijn allemaal elementen van deze niet-puristische muziek' In Ligeti's muziek speelt het fantastisch-illusionaire een belangrijke rol. De verzonnen landkaarten die de componist in zijn jeugd tekende, vinden in de imaginaire klanklandschappen van de volwassen kunstenaar een equivalent.

Ligeti's literaire voorkeuren evenals zijn smaak m.b.t. de schilderkunst weerspiegelen een affiniteit met surrealistische onderwerpen. Zo voelt de componist zich aangetrokken tot de werken van Kafka en Lewis Carroll (Alice in Wonderland), de kunstig in elkaar geschoven tekeningen van Maurits Escher en de fantasmagorieën van Jeroen Bosch. Hij is geïnteresseerd in wis- en natuurkunde en in computertechniek Op muzikaal gebied koestert hij een voorliefde voor de middeleeuwse isoritmiek, de proportiecanons van de Ars subtilior, voor exotische muziek en de ingewikkelde ritmes van de Afrikaanse trommelkunst. Ligeti is een componist met vele gezichten: naast pure klankcomposities staan werken waarin scherp gearticuleerde figuraties, ritmiek en mechanische precisie overheersen en waarin hij rijkelijk gebruik maakt van uiteenlopende historische en folkloristische middelen. Overziet men zijn oeuvre tot op heden, dan blijkt dat Ligeti in zijn artistieke ontwikkeling steeds weer van richting is veranderd. Toch lijken zijn composities iets gemeen te hebben, namelijk een merkwaardige dubbelzinnigheid van het muzikale betoog. Deze kenmerkt zowel zijn klankcomposities waarin stemmen zich diffuus vermengen, als werken met een complexe gelaagdheid van melodisch-ritmische structuren of met een veelvoud van traditionele, folkloristische of exotische stijlen. Achter Ligeti's veelzijdige oeuvre staat een kunstenaar die als een kameleon steeds weer van gedaante verandert en zich aan een ondubbelzinnige muzikale boodschap onttrekt.

Werken:
Weidse microtonale velden die over elkaar heen schuiven, klanken die uitzetten en samentrekken, vlakken die geleidelijk verkleuren, trillen, en waarin de afzonderlijke stemmen of muzikale gebeurtenissen in een klinkend totaal versmelten. Ligeti had met zijn klank-ruimtecomposities in de jaren '60 naam gemaakt, zoals met Apparitions (1958-59) en Atmosphères voor orkest (1961), Volumina voor orgel (1961-62), Requiem voor soli, koor en orkest (1963-1965) en Lux aeterna voor koor a capella (1966). De componist zocht echter gauw weer naar nieuwe wegen, omdat hij het gevoel had met deze stijl op een doodlopend spoor terecht te komen. Ligeti's zoektocht naar meer contour en duidelijk omlijnde structuren manifesteerde zich in Aventures (1962-1965) en Aventures & Nouvelles Aventures (1966) voor drie stemmen en zeven instrumentalisten. Aan deze composities liggen fonetisch gedeclameerde geluiden ten grondslag en staan een scherp geprononceerde articulatie en hyperactieve gestes op de voorgrond.

In Lontano voor orkest (1967) en Continuum voor klavecimbel (1968) ontwikkelde Ligeti zijn concept van de 'micropolyfonie' en 'polymetriek'. Deze werken worden gekenmerkt door een uitgekiende combinatie van verschillende melodische lijnen en ritmes die zich tot complexe klankweefsels verbinden. In Ramifications (1968) verkende Ligeti de uitdrukkingsmogelijkheden van verschillend gestemde strijkinstrumenten. Dit werk vormde voor de componist toentertijd een 'eindpunt in de ontwikkeling van dichtheid en stasis naar een levendig bewogen weefsel'. Van de compositie Clocks and Clouds voor twaalfstemmig vrouwenkoor en orkest (1972-73) wijst reeds de titel op Ligeti's toenmalige esthetisch ideaal: het verweven van 'pure klank' met ingewikkelde melodisch-ritmische processen; het creëren van muziek als 'een wolk' maar met de 'precisie van een uurwerk' (Ligeti).

Vanaf de jaren zeventig:
De absurd groteske operaklucht Le grand macabre (1974-77) markeert een nieuwe fase in Ligeti's artistieke ontwikkeling. In deze parodistische scenische collage maakte de componist gebruik van diverse historische, folkloristische en exotische middelen. Het verhaal van deze (op een satire van Michel de Ghelderode gebaseerde) opera speelt zich af in een Breugheliaans fantasieland. Daarin brengt een onverwacht opduikende demagoog en twijfelachtige 'profeet' door zijn aankondiging van de ondergang van de wereld de overheidsinstanties in verwarring. Ligeti: 'Ik wilde me verwijderen zowel van het opera-ideaal van de 19e eeuw als ook van de moderne anti-opera's uit de laatste tijd. Le Grand Macabre staat in de traditie van de middeleeuwse dodendans, het mysteriespel en het poppentheater van de kermis en het volkstoneel.' Sinds de jaren '80 lijkt zich in Ligeti's werk een synthese van al deze muzikale middelen en vondsten uit te kristalliseren. Zijn meest recente werken, zoals Hamburgisches Konzert voor hoorn, vier natuurhoorns en orkest (1998-99) en Sippal, dóppal nádihegedüvel (Duitse titel: 'Mit Pfeifen, Trommeln, Schilfgeigen') voor mezzosopraan en slagwerk (2000) ontwikkelen zich tot een mengeling van historische en exotische elementen, en van experimenten met afwijkend gestemde (of niet-getempereerde) instrumenten.

Over zijn nog onvoltooide cyclus Etudes pour piano (Premier livre: 1984-85, Deuxième livre: 1988-94, Troixième livre: 1995 e.v.) schrijft de componist: 'In de Etudes pour piano vind je het een en ander dat geworteld is in de Europese traditie, vooral in de 19e eeuw: mijn grote voorliefde voor de pianomuziek van Schumann en Chopin, en de uitbreiding van de hemiool niet alleen 3 tegen 2 en 2 tegen 3, maar ook asymmetrische vormen, waarbij ook Bulgaarse ritmes (die Bartók in Mikrokosmos heeft gebruikt), de salsa uit het Caribisch gebied en de samba uit Brazilië een rol spelen. Deze sfeer van Schumann en Chopin, van etnische culturen, folklore uit Latijns Amerika, Afrikaanse muziek en Nancarrow het is allemaal tot amalgaam en tot iets volstrekt anders geworden.' Zijn leven lang weigerde Ligeti zich vast te leggen in een bepaalde stijl of artistiek imago. Ligeti: 'Alles wat direct en zonder tegenspraak is, is mij vreemd. Ik houd van toespelingen, van uitingen die voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, van onzekerheden en duistere betekenissen.'

Oeuvre
2 opera's; 16 orkestwerken; 6 werken voor ensemble (waaronder enkele met zangers); 20 koorwerken; 12 kamermuziekwerken; 15 werken voor toetsen, o.a. piano; 6 composities voor tape; diversen (waaronder Poème symphonique voor 100 metronomen).