Zeeën van den ned. indischen archipel betekenis & definitie

Zeeën van den ned. indischen archipel - Aan de wateren tusschen Z.O. Azië en Australië wordt veelal de naam van Austraal-Aziatische Middelzee gegeven. Als grenzen hiervan gelden de meridianen van 20° N. en 15° Z. en de parallellen van 100° en 140° O. Dit gebied heeft een oppervlakte van 8¼ millioen km2 en omvat de Zuid-Chineesche Zee, Soeloe- of Mindoro-Zee, Celebes-Zee, Straat van Makassar, Halmahera-Zee, Ceram-Zee, Moluksche Zee, Banda-Zee, Arafoera-Zee, Timor-Zee, Sawoe-Zee, Soenda-Zee, Flores-Zoe, Java-Zee en Straat van Malakka. De kennis dezer zeeën is de laatste 40 jaar enorm toegenomen en meer wetenschappelijk en systematisch verkregen. Vóór dien tijd berustte de kennis voor een groot deel op de resultaten van buitenlandsche schepen en expedities, sedert is die bovenal door Nederland zelf verworven.

Met name mogen genoemd worden de loodingen enz. van Hr. Ms. „Bali” (1901—’02) en „Edi” (1903), de Siboga-Expeditie (1899—1900) en de Snellius-Expeditie (1929— 1930). Vele gegevens werden voorts door de Ned. opnemingsvaartuigen verkregen.

Diepte. Het zeegebied bestaat uit 2 karakteristiek zeer verschillende gedeelten. Het eene deel (bewesten de Straten van Makassar en van Lombok) wordt grootendeels gevormd door het Borneo-Javaplat, een onderdeel van het Austraal-Aziatische vastelandsplat, hetwelk door niveauverandering der zee is ontstaan. Behoudens het benoorden de 6° N. gelegen gedeelte der Zuid-Chineesche Zee, hetwelk zeer diep is en vele gedeelten met meer dan 4 000 m kent (max. diepte 5 420 m op 18° 30' N. en 120° 20' O.), heeft dit deel, behoudens enkele stukken die iets dieper zijn, geen grooter diepten dan 100 m. Het andere of Oostelijke deel daarentegen is zeer diep, behoudens het meest Oostelijke stuk, dat behoort tot het Australische vastelandsplat (Arafoera-Zee en Sahoel Bank). Het bestaat uit een aantal min of meer zelfstandige diepe kommen, bekkens, ketels, langgerekte troggen enz., door de talrijke eilanden ingesloten en door soms zeer steile ruggen en drempels van elkaar gescheiden. De zeebodem hier is nog in den tegenwoordigen tijd aan veranderingen onderhevig. De golven en straten van de Molukken en kleine Soenda-Eilanden zijn in het algemeen zeer diep en steil. Zoo zijn de straten Wétar en Ombai ruim 3 000 m diep. Aan den Z.W. en Z. rand van het Austraal-Aziatische vastelandsplat liggen in een ongeveer 3 500 km langen boog de groote en hooge eilanden Sumatra en Java en de Kleine Soenda-Eilanden.

Hier buiten heeft men twee diepe troggen van groote uitgestrektheid en regelmaat. De binnenste hiervan strekt zich uit tusschen de Westkust van Sumatra en de daarvoor gelegen eilanden met voortzetting bezuiden Java. Hierop volgt de eilandenreeks bewesten Sumatra en haar verlengde onder water (diepte ± 2 000 m) bezuiden Java en daarna een zeer diepe trog, die in den Mentawei-trog een diepte van ruim 5 000 m en in den Java-trog een diepte van meer dan 7 000 m bereikt. De daarbuiten gelegen Indische Oceaan heeft, voor zoover bekend, een gelijkmatiger diepte (ongeveer 5 000 à 6 000 m). De Soeloe-Zee is diep en heeft in het O. deel een breede, diepe randinzinking (max. diepte vóór Straat Basilan 5 040 m). De Celebes-Zee is een zeer diep bekken (max. diepte in het Z. 6 580 m), van waaruit een ruim 2 000 m diepe inzinking in Straat Makassar doorloopt. De zeer diepe Mindanaotrog eindigt eenige graden ten N. van Halmahera, en wordt in de Molukken-passage vervolgd door een diepe inzinking, welke in den Batjantrog een diepte van 4 810 m bereikt. Bezuiden de Soeloe-Eilanden vindt men een inzinking met 6 800 m grootste diepte.

De Banda-Zee heeft een zeer eigenaardig bodemreliëf, waarin men twee concentrische, min of meer ellipsvormige, ringen van ruggen en 3 stelsels van min of meer aaneensluitende troggen kan onderscheiden. Op den binnenring bevinden zich de Soloren Alor-Eilanden, Babi, Damar, Wetar, de Banda Eilanden, de Lucipara-Eilanden en Goenoeng Api. Binnen dezen binnenboog (ook Banda-boog genaamd) vindt men een bekken van ruim 5 000 m diepte. De buitenring wordt aangegeven door de eilanden Timor, Moa, Babar, Tanimbar-Eilanden, Kei-Eilanden, Ceram en Boeroe. Tusschen de beide ruggen vindt men bezuiden Boeroe 5 330 m diepte, bezuiden Ceram Laoet 5 200 m, terwijl in het zeer diepe Weberdiep 7 440 m diepte gelood werd. Bewesten de Kei-Eilanden bevindt zich het Aroe-bekken (eertijds Kei-trog genaamd), 3 660 m diep. De Sawoe-Zee heeft een ruim 3 000 m diep bekken (max. diepte 3 500 m). In de Flores-Zee bevindt zich een trog van 6 000 m diepte (max. diepte 6 140 m).

Zoutgehalte. Dit is in het algemeen laag en is in het diepe O. gedeelte hooger dan in het ondiepe W. gedeelte tusschen de groote eilanden. Krümmel geeft voor de Straat van Malakka op 300/00 %) voor de JavaZee 330/00 Banda-Zee, Celebes-Zee, Soeloe- en Zuid-Chineesche Zee 34 tot 34 ½ 0/00 op 10° N. bij Formosa bedraagt het ± 350/00.

Het zoutgehalte der bodemlagen schijnt steeds minder dan 350/00 te bedragen.

Zeewatertemperatuur. Deze vertoont aan de oppervlakte in het algemeen hetzelfde beeld als de luchttemperatuur en bereikt ook vrijwel eenzelfde bedrag. Gemiddelde temp. 27,7° C. In Febr. is de gemiddelde temp. 27,3° C en in Aug. 28,1° C (in het N.O. deel bijna 30° C.) De temp. verdeeling in verticalen zin is zeer gecompliceerd en in het ondiepe gedeelte geheel anders dan in het diepe. In de diepe bekkens is de temp., evenals de andere eigenschappen, afhankelijk van de diepte der toegangspoorten en de temp. op de drempels daarvan. Veelal werd van 1 650 m diepte af tot op den zeebodem een zelfde temp. (3,3° C) gevonden, doch uit onderzoekingen der Snelliusexpeditie bleek de minimum temperatuur op eene diepte beneden die der toegangspoorten te liggen. Beneden het minimum-niveau neemt de temperatuur met de diepte weder, vrijwel adiabatisch, toe. Gemiddelde temperatuur van alle waterlagen 6,9° C.

Zeestroomen. Deze zijn vnl. driftstroomen, veroorzaakt door de heerschende moessonwinden, aan de N. en Z. grenzen van het Nederlandsche gebied beïnvloed door de equatoriale stroomen en tegen-stroomen, resp. van Grooten en Indischen Oceaan.

Getijden. Deze zijn in de Java-Zee en het gedeelte der Zuid-Chineesche Zee tusschen Sumatra en Bomeo van het enkeldaagsche, in Straat Malakka van het dubbeldaagsche, overigens van het gemengde type. Doordat de getijgolven zoowel van den Grooten als van den Indischen Oceaan door de talrijke straten enz. in den Archipel doordringen en locale omstandigheden sterken invloed uitoefenen, zijn de getijverschijnselen dikwijls bijzonder samengesteld. Groote amplituden komen slechts zelden voor en deze bedragen bij springtij slechts zelden meer dan 3 m (in de Golf van Serawak 5 à 5,5 m). De getijden zijn nauwkeurig bekend, hetgeen vooral te danken is aan het inleidende werk van dr. J. P. van der Stok.

Winden en Klimaat. De zeeën van den N.I.A. liggen in een moessongebied (zie Moesson). Zeer in het algemeen kan men zeggen, dat van April tot October ten N. van den equator Z.W. en ten Z. van den equator Z.O. wind waait, van October tot April ten N. van den equator NO. en ten Z. van den equator N. W. wind. Ten N. van den equator heeft men dus van April tot October West-moesson en van Oct. tot April Oost-moesson; ten Z. van den equator juist andersom. April—Mei en Oct.—Nov. zijn de kenteringmaanden. In het algemeen is de West-moesson de natte of kwade (met het oog op de gezondheid), de Oost-moesson de droge of goede moesson. De Z.O. wind voert dikwijls veel stof uit Australië mede. In de kenteringsmaanden is het weer zeer ongestadig en wordt gekenmerkt door plotselinge buien, windstilten en onweders.

De windrichting en kracht wordt zeer beïnvloed door de algemeene richting van zeeën, straten en golven, alsmede door de nabijheid van het land (landen zeewind). De kracht is in het algemeen niet groot en overschrijdt zelden 4 à 5 der Beaufortschaal. Plaatselijk komen wel eens harde wind en zware buien voor, zooals de Barat op de N. kust van Celebes, de Sumatranen in de Straat van Malakka, de Gending op Oost-Java en in de Straat van Madoera, terwijl de W. moesson vooral op de N. kust van Java en W.kust van Sumatra soms zeer hevig is. In de nabijheid van Timor zijn cycloon-verschijnselen en stormwinden waargenomen. Benoorden het Ned. gebied treden typhonen op, die zelfs in de CelebesZee nog sporadisch voorkomen.

Ook de luchttemperatuur vertoont het moessontype. Zoo bedraagt in Febr. in Java-, Banda- en Arafoera-Zee de temperatuur meer dan 27,5° C, terwijl deze naar het N. daalt en in de Zuid-Chineesche Zee op 20° N. 15° C bedraagt. In Aug. daarentegen heerscht in de Zuid-Chineesche Zee een temperatuur boven de 27,5° C en daalt deze naar het Zuiden tot 26,5° C. Voor verdere bijzonderheden van het klimaat, zie Ned. Oost-Indië.

Lit.: J. P. van der Stok, Wind and Weather, Tides and Tidal Streams in the East Indian Archipelago (1897); G. F. Tydeman, Hydrographic results of the Siboga Expedition (1902); O. Krümmel, Handbuch der Oceanografie (2 dln. 1907/1911 Engelhorn-Stuttgart); Kon. Ned. Meteor. Inst. no. 102. J. P. van der Stok, Elementaire theorie der getijden, getij constanten in den Ned. Ind. Archipel (1910); De zeeën van Ned. O. Indië. Uitgave Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap (1922); K. M. van Weel, Heteorological and Hydrographical observations, made in the Western part of the Netherlands East Indian Archipelago (1923); Kon.

Ned. Meteor. Inst. nr. 104. Oceanogr. en metereol. waarnemingen in den Indischen Oceaan, 4 Atlassen met tabellen voor trimesters 1924—1930; Voorloopige verslagen der Snellius Expeditie in jg. 1929—’31 van het tijdschrift van het Kon. Ned. Aard. Genootschap; C. Braak, Het klimaat van Ned. Indië (Kon. Magn. en Meteor. Obs. te Batavia, Verhandelingen no. 8). Wissmann