Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 04-11-2019

Vrouw

betekenis & definitie

I. Aard van de vrouw

Wijsbegeerte en Openbaring leeren, dat de vrouw in alles wat tot de wezenlijke volmaaktheid van de menschelijke natuur en waardigheid behoort, en in alles wat behoort tot de bovennatuurlijke volmaaktheid, gelijk staat met den man. In dezen verheven zin is de v. een volkomen mensch, een persoonlijkheid met alles, wat daarin opgesloten ligt: redelijk wezen, met verstand begaafd, gericht tot een persoonlijk goed als doel en dus niet bestemd tot nut van een ander, met name van den man; in het bezit van natuurlijke rechten, in gelijke verhouding tot God als de man; geroepen om het bovennatuurlijk leven zelfstandig te bezitten en te ontwikkelen op deze wereld en later als eeuwige zaligheid in de hoogste vervolmaking te bereiken in den hemel. Deze gelijkheid leert ons de Bijbel: „God schiep den mensch als zijn beeld (redelijk wezen); man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1.27) en in het Nieuwe Testament: „Thans is er geen Jood meer of heiden; geen slaaf meer of vrije; geen man en geen vrouw. Want allen zijt gij één in Christus Jesus” (Gal. 3.28). Ook uit de houding van Christus tegenover de v. blijkt, hoe hij ze in alles en speciaal met betrekking tot het goed, dat Hij den menschen kwam brengen, even hoog stelde als de mannen; denken we aan de woorden tot Maria en Martha.

De menschen echter zijn in twee geslachten verdeeld. Beide volkomen mensch, zijn toch man en v. onderscheiden en verschillend. Beide hebben een roeping van hooge waarde; maar een vsch. roeping en de Schepper heeft hen door verschillende eigenschappen daartoe uitgerust. Het tegendeel zou een ernstig tekort zijn. Niet alleen physiologisch (naar het lichaam) maar ook psychisch is de y. heel anders dan de man. Juist om goed te zijn.

Zij is veel meer afhankelijk van het gemoedsleven; veel meer dan bij den man beheerscht dit bij de v. heel het doen en laten. Vandaar is de v. geschikt voor vele edele werkzaamheden, die toewijding, menschelijk gevoel en bezorgdheid, aanvoelen en begrijpen van leed en verlangen, in hooge mate vorderen. Maar omgekeerd is de v. minder geschikt om aan anderen leiding te geven en bestuursfuncties te bekleeden; minder geschikt voor zwaren en voor hoogen intellectueelen arbeid. In overeenstemming daarmee is in de natuurlijke vereeniging van twee (of meer, als er kinderen zijn) menschen, welke wij het gezin noemen, en waar evenals in iedere vereeniging één leider met gezag moet zijn, de man van nature daartoe aangewezen. De aard van de v. brengt echter weer mede, dat de man dit gezag zoo gebruikt, dat hij het regelen van de dingen, die tot het huishouden behooren, aan de v. overlaat. In overeenstemming daarmee ook heeft Christus in de door Hem gestichte bovennatuurlijke maatschappij, de Kerk, als bestuurders alleen mannen gesteld en geen v., die dan ook het speciale sacrament niet kunnen ontvangen, dat bestemd is voor de bestuurders van de Kerk (het priesterschap; Latijn: sacramentum ordinis, d.i. van hiërarchie, van onderordening door het aanstellen van bestuurders). Dit alles, niet omdat de v. minder, maar omdat zij anders is dan de man.

Daar het voor iedereen een volmaaktheid is (d.i. iets dat hem goed en gelukkig maakt en hem waardigheid en hoogachting van anderen doet verwerven), goed te zijn wat hij is, ligt voor de v. het ware geluk en de echt menschelijke waardigheid in goed vrouw te zijn, hetzij als echtgenoote en moeder, hetzij in andere roepingen. Door het kiezen van niet-vrouwelijke beroepen maakt de v. zich ongelukkig en zij verliest de waardigheid en de achting van anderen. Door, vooral in aanzienlijke mate, haar grootheid of waardigheid te zoeken in het doen als de man, maakt zij zich verachtelijk en bespottelijk en verliest de waardigheid en grootheid, die de Schepper haar gaf. Hetzelfde beginsel, dat de Kerk er toe heeft gebracht de v. tegenover den man in de haar toekomende waardigheid te herstellen, dringt haar er toe, zich te verklaren tegen de ongezonde emancipatie en vermannelijking van de vrouw.

Bender.

II. Geschiedenis van de positie der vrouw.

A) In de primitieve culturen, zie ➝ Huwelijk (sub III), Gezin (sub Moederrecht), ➝ Matriarchaat.
B) In de Oudheid

De oude heidensche volken kenden de vrouw alleen waarde toe in haar verhouding tot den man; de v. is, hier meer, daar minder, overgeleverd aan zijn willekeur. Bij de Egyptenaren was polygamie geoorloofd, maar het monogame huwelijk stond in eere. De v. was ondergeschikt aan den man, maar nam een zoo eervolle plaats in de samenleving in, dat de Grieken zich er over verwonderden. De Grieken en Romeinen kenden geen polygamie. De Griek zag in de v. alleen de voortbrengster van zijn wettige kinderen en een trouwe huisbewaarster. De v. nam geen deel aan het geestelijk en maatschappelijk leven van haar man, haar ontwikkeling was gering.

Wel werd er gezorgd voor geestelijke ontwikkeling van de ➝ hetaeren. De Romeinen hadden oorspronkelijk meer achting voor de v. De matrone stond aan het hoofd van het huis, nam deel aan maaltijden en feesten. Wettelijk was ze geheel onderworpen aan den man. Met de verslapping van de Romeinsche zeden daalde de eerbied voor de v. Bij de Germanen werd de priesteres geëerd.

De gewone v. stond onder voogdij van den vader of van den man. Ze was haar man volkomen huwelijkstrouw schuldig, omgekeerd hij niet aan haar. Onder de monotheïstische volken werd bij de Arabieren de v. beschouwd als een wezen van mindere rang, ook in religieus opzicht. Bij de Joden kon het meisje worden verkocht, de gehuwde v. was onderworpen aan den man, maar de wet beschermde haar tegen machtsmisbruik; de kinderen eerden haar. Onontbindbaarheid van het huwelijk gold als ideaal, wettelijk was scheiding geoorloofd. In het voorbeeld van de „Sterke Vrouw” (Prov. 31.10 vlg.) wordt haar invloed geprezen; deze vrouw is meesteres in haar gezin en beschikt zelfstandig over allerlei zaken: zij fabriceert, koopt in en verkoopt. De theorie althans was niet ongunstig voor de vrouw.

C) In het Christendom

Het Christendom achtte de v. ondergeschikt aan den man in het huwelijk, maar met behoud van persoonlijke rechten; uit de groote waardeering voor de vrijwillig gekozen maagdelijkheid blijkt de erkenning van de persoonlijke waarde van de v. Paulus sloot de v. uit van het leeraarsambt, maar aanvaardde haar hulp in het apostolische werk. Hieronymus en andere Kerkvaders stelden voor de maagden een leefregel vast en drongen aan op geestelijk werk naast handenarbeid. Die praktijk is voortgezet in de middeleeuwsche kloosters; bekend door haar werk zijn o.a. Lioba, Hroswitha van Gandersheim, Hildegard van Bingen. Abdissen bekleedden een machtige positie, zoowel wereldlijk als geestelijk.

Merkwaardig zijn de dubbelkloosters; de abdis van Fontrevaud was generale overste van de heele Orde. Ongehuwde v. van hoogeren stand vonden veelal een toevlucht (zij het zonder geloften) in de kloosters. Ongehuwde v. uit den burgerstand vonden plaats in de begijnhoven; zij verpleegden zieken, gaven onderwijs. Voor haar levensonderhoud werkten zij evenals andere v. in beroepen. Het aantal werkende v. was vrij groot; van de gilden waren ze niet uitgesloten. In de 14e eeuw ontstond een streven haar uit de nijverheid terug te dringen.

De Renaissance veroorzaakte eenerzijds een hoogere cultureele ontwikkeling van de v., anderzijds door de verbreiding van heidensche begrippen uit de Oudheid een achteruitgang in de moreele waardeering. De Hervorming, die minder streng stond t.o.v. de onontbindbaarheid van het huwelijk en geen waardeering had voor de maagdelijkheid, leidde tot een verminderde achting van de persoonlijkheid van de v. Haar bestemming was den man te dienen. In de volgende eeuwen verminderde de achting voor de v. Hiertegen ontstond op het einde van de 18e, begin 19e eeuw een reactie, versterkt door economische veranderingen. De machine ontnam aan de v. werk, dat ze vroeger thuis kon verrichten, dreef de v. uit lageren stand naar de fabriek en bracht de ongetrouwde v. uit hoogeren tot werkloosheid.

Onder de laatsten ontstond drang naar sociaal werk, ontwikkeling, eigen beroep. Baanbrekend op het eerste gebied waren mrs. Fry (reclasseering), Florence Nightingale (ziekenverpleging), Josephine Butler (abolitie). Zoo ontstond de ➝ vrouwenbeweging (feminisme), die mede streefde naar verbetering der meisjes-opvoeding, o.a. door beter huishoudonderwijs en andere vakopleiding en naar de openstelling van verschillende beroepen, waardoor de v. zoowel in haar levensonderhoud kon voorzien als haar krachten in dienst stellen van de maatschappij. Daar bij verbetering van sociale toestanden de wetten moeten meewerken, ontstond ook het streven naar medezeggenschap in de politiek.

Theissing.

III. Positie der vrouw volgens Christelijke beginselen.

Als lid van de gemeenschap [van de burgerlijke (den Staat) en van de geestelijke (de Kerk)] heeft ieder mensch en dus ook de v. den plicht om naar vermogen mede te werken tot het algemeen welzijn. Wat voor haar „naar vermogen” is en wat naar billijke verdeeling van lasten van haar kan worden geëischt, hangt van allerlei factoren af, ook van den specialen aard, de talenten, de eigenschappen, enz., waarmede de natuur de v. heeft toegerust. Juist om het groote verschil tusschen man en v. is het volstrekt geen eisch van de natuur en volstrekt geen natuurwet, dat de v. op dezelfde manier als de man tot het algemeen welzijn meewerkt. Daarom is het onjuist, het voor te stellen, alsof bepaalde wijzen van deelneming in het openbare politieke leven de v. krachtens de natuurwet toekomen; of dat zij er van nature recht op heeft (bijv. op stemrecht of op gelijk stemrecht als de mannen hebben). Omgekeerd moet men uiterst voorzichtig zijn om te verklaren, dat bepaalde daden of het toekennen van bepaalde politieke rechten aan de v. in strijd zijn met de natuurwet of met de Christelijke beginselen.

Politieke bevoegdheid. Het algemeene beginsel, dat ieder lid van de gemeenschap recht heeft op een goed bestuur, een goede wetgeving, is waar. Ook is het waar, dat iedereen recht heeft om daarop invloed uit te oefenen. Maar hoe dat precies moet gebeuren, is niet krachtens de natuurwet bepaald. Recht hebben op iets is niet hetzelfde als recht hebben het zelf te verwezenlijken. En invloed uitoefenen kan men direct en indirect.

Een kind heeft van nature recht op een goed bestuur van het gezin. Maar daarom nog niet het recht zich in het bestuur van het gezin te mengen. Dat de v. actief en zelfs passief stemrecht heeft of functies bekleedt van publieken aard, kan dus goed zijn en gewenscht, maar natuurrecht is het zeker niet. Ook niet daar, waar de mannen stemrecht hebben. Hebben de v. eenmaal stemrecht of andere middelen om invloed uit te oefenen op het bestuur van de gemeenschap, dan is het plicht dit ook goed te gebruiken, vooral als er groote belangen mee samenhangen, zooals bijv. in Nederland.

De voornaamste sociale taak van de v. ligt in het gezin. In dezen staat zal de v. allerkrachtigst medewerken aan het algemeen welzijn van Kerk en Staat, door haar taak als Christelijke echtgenoote en moeder goed te vervullen. Dit geeft haar een invloed op het staatsleven, die indirect is, maar niettemin van een onschatbaar groote beteekenis. Het is een vergissing te denken, dat direct medewerken het eenige of althans het krachtigste middel is, om iets te beïnvloeden. Niettemin hebben vele v., vooral tegenwoordig, een heerlijke taak te vervullen buiten het gezin. Vooral (hoewel niet uitsluitend) de ongehuwden.

Vrouwenarbeid (men zie dit woord), vooral van gehuwde v. of arbeid, die de jonge v. van het huwelijk afhoudt, of haar belet zich voldoende te vormen voor den huwelijksstaat, is ook van groot nadeel op den invloed van de v. op de maatschappij. Het is geenszins in den geest van het Christendom en overeenkomstig de Kath. traditie, de rechtstreeksche deelname van de v. aan het openbare leven sterk te bevorderen. De Kerk is echter op dit punt niet bekrompen. Waar het leven zich in deze richting heeft ontwikkeld, is de Kerk niet op den achtergrond gebleven. Met wijs inzicht weet zij leiding te geven, waarschuwend tegen excessen en tegen stroomingen, die gemakkelijk tot excessen leiden. De Kerk weet het goede in de moderne vrouwenbeweging te waardeeren; ook voor haar en dus voor het algemeen geestelijk welzijn van de menschen is de activiteit van de Katholieke v. een geweldige kracht ten goede.

De bovennatuurlijke aard van de Kerk als maatschappij brengt mede, dat niemand van nature recht heeft om in de Kerk bestuursfuncties te bekleeden. De personen worden aangesteld geheel overeenkomstig de door Christus gestelde regels. Hierdoor zijn v. van bestuurs- of wijdingsmacht uitgesloten. Wie hierin een geringschatting of gebrek aan waardeering jegens de v. ziet, toont weinig inzicht. De gesch. der Kerk is een onafgebroken weerlegging van dit misverstand.

Lit.: Kath. werken: La femme Cath. dans le monde contemporain (1937, uitg. van de Union Internat, d. Ligues Féminines); R. P. Sertillanges, Féminisme et Christianisme (1913); La Femme dans la Société (uitgave van de Semaine Sociale de France, 1927); Gertrud von Lefort, Die ewige Frau (1934); Rösler, Die Frauenfrage (1907); Cathrein, Frauenfrage (1909). Neutraal: De vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk (1914); Jaarb. van het Intern. Archief voor de Vrouwenbeweging (I 1937).

Bender.

Voor opvoeding en vorming der vrouw zie → Meisjesvorming; Meisjesonderwijs; Huishoudonderwijs, Nijverheidsonderwijs; enz.

IV. Rechtspositie der vrouw Voor Ned. zoowel als België is deze behandeld onder → Bekwaamheid. Voor wat speciaal de rechtspositie der vrouw in het huwelijk betreft vgl. → Huwelijk (sub II, Burgerlijk recht); Huwelijksgoederenrecht; Huwelijksvoorwaarden; Huishoudelijke schulden.