(Fr. = accoucheur, D. Hebamme, Eng. midwife). Langen tijd is het gewoonte geweest de mannen, artsen, die zich bijzonder toelegden (specialiseerden) op het verleenen van raad en bijstand bij de verlossing van de vrouw, accoucheur te noemen. De vrouw, die zich hiermede bezighield, werd accoucheuse genoemd.
In Nederland mag de verloskunst beoefend worden door huisarts, specialist, vrouwenarts en → vroedvrouw (accoucheuse, sage-femme). Deze alleen zijn bevoegd (een kraamverpleegster, kraamverzorgster of baker mogen dit dus niet) tijdens de baring de vrouw inwendig te onderzoeken (toucheeren) en het kind ter wereld te helpen brengen.
Een en ander valt onder de wet op de uitoefening van genees-, heel- en verloskunst van 1865. Lubbers.
In België zijn de wettelijke verordeningen dezelfde. De bevoegdheden van de vroedvrouw zijn echter meer beperkt; zij mag geen weeënverwekkende middelen toedienen tijdens de baring, wat in Nederland, onder bepaalde voorwaarden, wel het geval is. Heymans.