Theodoor Rodenburgh betekenis & definitie

Ned. tooneelschrijver. * Ca. 1678 te Antwerpen, † Oct. 1644 aldaar. R., die een zusterszoon was van H.

L. Spieghel, reisde veel in Europa als half-officieel gezant van kleine vorsten en zaakwaarnemer van kooplieden.

Dit bracht hem o.a. in Spanje, waar hij in aanraking kwam met Lope de Vega, die een grooten invloed heeft gehad op R. ’s tooneelwerk. Hij schreef tal van stukken voor de Amsterdamsche Kamer In Liefde bloeyende, waarvan hij tot 1617 een der hoofdpersonen was.

In de letterkundige en tooneelwereld is hij een persoon van beteekenis geweest; zijn praalzucht en snoeverij maakten hem niet erg bemind, vooral bij Breero, wiens Spaansche Brabander tegen R. gericht is. Na zijn terugkeer uit Spanje is zijn twist met Hooft, Coster en Breero oorzaak, dat dezen de oude Kamer verlieten.

Zijn avontuurlijke aanleg bezorgde hem ook in den handel een minder goeden naam. Na 1632 woonde hij meestal in de Z.

Nederlanden.Werken: Trouwen Batavier (gespeeld in 1609, gedrukt in 1617); Jalourse Studentin (1617); Melibea (3 dln. 1617); Wraeckgierigers Treurspel (1618); Eglentiers Poëtens Borstweringh (proza en poëzie, 1619); een vert. van Sydney’s Apologie for Poetrie (grootendeels in het vorige opgenomen, zonder naam van den auteur, 1635); Sigismund en Manuela (1638); Vrou Jacoba (1638); Geboorte Christi, Ecce Homo, Aendachticheydt op ’s Heeren doodt (1639).

Lit.: Kollewijn, Th. R. en Lope de Vega (in: De Gids, 1891, III); Unger, Th. R. (in: Oud-Holland, 1885); S. A. Worp, Dirk R. (in: Oud Holland, 1895); Alblas, Bibliogr. der werken van Th. R. (1894); Worp-Sterck, Gesch. v. d.

Amsterd. Schouwburg (1920). Piet Visser.