Tabak betekenis & definitie

A) Botanisch behoort de tabaksplant tot het geslacht Nicotiana van de fam. der Solanaceae. Het is een eenjarige kruidachtige plant, die onder normale omstandigheden 1½ tot 2 m hoog wordt. De groote gaafrandige bladeren staan verspreid aan een forschen opstaanden stengel. De meestal rosé, soms ook geelgroene of witte bloemen zijn vereenigd tot korte trossen.

De kelk is klokvormig, 5-tandig, de kroon buisvormig met vijf kleine lobben of slippen. Zelfbestuiving is regel, doch kruisbestuiving komt ook voor. De vrucht is een veelzadige doosvrucht, die met kleppen openspringt. De roodbruine zaadjes zijn uiterst klein en zeer talrijk.B) Voor de cultuur komt van de talrijke botanische soorten practisch alleen de soort Nicotiana Tabacum in aanmerking, welke gekenmerkt is door rosé bloemen en ongesteelde spitse bladeren. De t. is afkomstig uit tropisch Amerika, doch heeft zich door haar korten groeiduur (4 à 5 maanden van zaai tot begin oogst), ook in koelere streken sterk verspreid. De meeste t. wordt verbouwd in N. Amerika, Ned.-Indië (Java en Sumatra), Japan, Brazilië, Aziat. Turkije, op Cuba en de Philippijnen, in Mexico en in Argentinië. In Europa wordt ook in de meeste landen t. verbouwd, doch de omvang der productie is hier veel geringer. Van eenig belang zijn hier Hongarije, West-Rusland, Turkije, Griekenland en Z. Duitschland. De cultuur betreft in Nederland slechts een paar honderd ha op de zandgronden van Rhenen, Amerongen en Leersum en op de kleigronden van de Betuwe; in België vnl. in de Semois-vallei.

Het fijne zaad wordt, na vermengd te zijn met zand of asch, op kiembedden uitgezaaid, vanwaar de plantjes op een leeftijd van 1 à 2 maanden worden overgebracht naar het plantveld en uitgepoot op een afstand van ong. een voet in de rij en 2 à 3 voet tusschen de rijen. Gezorgd moet worden voor een intensieve grondbewerking en een zware bemesting, bij voorkeur met dierlijken mest. Men oogst niet de geheele plant ineens doch blad voor blad en let daarbij op den graad van rijpheid, waardoor de oogst 1 à 2 maanden kan duren. Het blad wordt naar de stamhoogte onderscheiden in zandblad, voetblad, middenblad en topblad. Vervolgens wordt zorgvuldig gedroogd in overdekte open loodsen, daarna gefermenteerd en gesorteerd naar kwaliteit.

De export van tabak uit Ned.-Indië bedroeg in 1936 47 800 ton.

Lit.: O. de Vries, T. (in : Onze Kol. Landbouw); K. Heyne, De nuttige planten van N.I. (II); Ten Rodengate Marissen, Bijzondere plantenteelt (IV). Dijkstra.

C) Vormen van verbruik. Voor → Sigaar, → Sigaret, zie ald. Voor rooktabak wordt gekorven t. gebruikt. De beste soorten komen uit Amerika (Portorico en Varinas zijn de oudst bekende). Deze worden practisch niet meer aangevoerd, maar wel leveren de Ver. Staten ons nog Maryland, Burlight en Kentucky, welke met Java-tabak den hoofdschotel vormen voor het binnenlandsch kerf-verbruik. In het buitenland worden ook Algiersche, Hongaarsche en Russische t., zoomede diverse zgn. Oriënt-tabakken gekorven. De Amerikaansche soorten zijn verpakt in vaten (hog-heads), de meeste andere in balen en pakken.

De t. wordt losgemaakt, gesorteerd, gemengd, aangevocht en op de kerfbank gesneden, daarna gedroogd met stoom of warme lucht, afgekoeld, vrijgemaakt van stof en zand en verpakt (→ Tabaksindustrie). Naar gelang van de breedte, waarop de t. wordt gesneden, spreekt men van shag-, baai-, krultabak, waarmede oorspr. wel bepaalde kwaliteiten werden bedoeld. Op het oogenblik bestaat het verschil echter alleen in de snee-breedte van resp. 1, 2 en 3 mm. In Ned. en België wordt de natuurlijke tabaksgeur zelden aangevuld door inmenging van plantaardige of chemische producten.

Pruimtabak wordt gemaakt vooral uit Amerikaansche t. (Virginia en Kentucky), maar ook Britsch-Indische t. leent zich ervoor. Voor de allergoedkoopste pruimtabak wordt ook inlandsche t. verwerkt. Pruimtabak bestaat uit grof gesneden, maar overigens als gewone rooktabak behandelde bladeren. Soms wordt de t. gesausd en daarna gesponnen tot zoogenaamde rolletjes (pruimrollen), welke zich bij gedeelten laten opgebruiken.

Het gebruik van snuiftabak komt zoo goed als niet meer voor. Voor het bereiden van snuif, een poeder, dat door den neus naar binnen wordt gehaald en de slijmvliezen prikkelt, werden en worden ook thans nog vnl. Amerik. t. gebruikt. De t. wordt gesausd en daarna gefermenteerd. Dan wordt de t. in den snuifmolen tot poeder gemalen.

D) Handel en productie. De handel kent als centra in Nederland de groote Sumatra- en Java-markten van Amsterdam en Rotterdam. Daarna komen voor exotische t. Bremen en Hamburg en den laatsten tijd ook Dresden. Een minder voorname plaats nemen Londen en Antwerpen in. Daarnaast zijn er tal van plaatsen, waar Grieksche, Turksche en Bulgaarsche t. worden verhandeld. Als centrum voor Amerika kunnen genoemd worden New York en Baltimore voor de Maryland-markt, Bahia als Braziel-markt en Havana voor de Havana-tabak.

In productie staat van de werelddeelen Azië bovenaan met 45 %, daarna volgen Amerika 31,6 %, Europa 21,8%, Afrika 1,5% en Australië 0,1 %.

De gemiddelde productie per jaar vóór den Wereldoorlog bedroeg over de jaren 1909-1913 circa 950 000 ton.

Het Europ. percentage toont sinds jaren een stijging ten koste van het Amerikaansche. De totale Sumatra-aanvoer te Amsterdam beliep in 1937: uit den oogst 1936: 141 580 pakken (1935: 131 083 pakken). De totale opbrengst was ongeveer 60 millioen gulden.

F) Geschiedenis. De t. kwam als genotmiddel het eerst in gebruik in Amerika. De bladeren werden opgerold en in maïsbladen gewikkeld en op dezelfde wijze als sigaren gerookt. Deze methode was daar reeds in zwang bij de ontdekking van Amerika door Columbus. Het voorbeeld werd gevolgd door de Portugeezen; in Portugal werd reeds in 1550 t. gekweekt, terwijl de Fransche gezant Jean Nicot de plant omstreeks dat jaar in Frankrijk importeerde. In de 17e e. nam het tabakrooken sterk toe, terwijl het snuiven vooral in de 18e e. zich verbreidde. Het pruimen bleef toen nog beperkt tot het scheepsvolk. Wat het rooken uit steenen pijpen betreft, dit geschiedde in de Nederlanden reeds in de 16e eeuw, evenals in Spanje, Portugal en Engeland. Steinkühler.
G) Hygiëne. Aan het feit, dat de t. → nicotine bevat, dankt zij haar opwekkende werking, maar dit kan tevens bij veel rooken aanleiding geven tot vergiftigingsverschijnselen, de zgn. nicotinevergiftiging. De bekende acute vergiftiging bij het eerste rooken uit zich in hevige misselijkheid. Aan beperkte hoeveelheden went men echter spoedig. Veel ernstiger is de chronische nicotinevergiftiging van een sterken rooker. Deze kenmerkt zich in hartkloppingen, beven, slapeloosheid, gezichtsstoornissen, maagpijnen, enz. In zulke gevallen moet het rooken geheel worden nagelaten. De schadelijke werking van de nicotine heeft in Ned. wettelijke bepalingen in het leven geroepen om het rooken van kinderen beneden 16 jaar tegen te gaan; deze kinderen mogen in het openbaar niet rooken; ook mogen aan hen geen tabaksartikelen worden verkocht. Bosch.
H) Voor wettelijke bepalingen betreffende t., zie hierboven sub G en verder het art. → Tabaksaccijns.