Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-10-2019

Stola

betekenis & definitie

(Lat.) of stool is een liturgische eeresjerp. In het Westen (ook: orarium) alleen toegestaan aan dragers der hoogere orden: diakonaat, priesterschap en episcopaat. Zij is ontstaan in het Oosten. Waaruit de s. in haar tegenwoordige gedaante zich ontwikkelde, is nog niet volledig opgehelderd.

Symbool van het juk des Heeren (Pontificale Romanum: De Ordine Presbyteri), van de heiligmakende genade en de daarmee verbonden onsterfelijkheid (gebeden vóór de Mis). De s. wordt gedragen bij het uitoefenen eener orde-macht, doch op verschillende wijze: bij den diaken schuin over den linkerschouder naar den rechterheup; bij den priester om den hals, gekruist over de borst; bij den bisschop om den hals afhangend over de borst (insgelijks bij den priester, als deze geen alb draagt). In het Oosten. De s. werd reeds vermeld in de 4e e. (in het Westen eerst twee eeuwen later). Ook subdiakens dragen hier dit eereteeken, bij de Maronieten ook lectoren.

Benaming bij de priesters epitrachèlion, bij de diakens oorarion. Ook hier verschil in de wijze van dragen.Lit.: J. Braun S.J., Die Liturg. Gewandung im Okzident und Oriënt (1907). Verwilst.

Stola latior is een breede paarse band, door den diaken van groote kerken in hoogmissen gedragen in den Vastentijd en op sommige boetedagen. Hij vervangt de planeta plicata vanaf het Evangelie tot na de Communie van den priester. Lit.: L. Eisenhofer (in: Handb. d. Lit. I, 431).

Verwilst.