Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 14-10-2019

Semieten

betekenis & definitie

(nakomelingen van Sem, zie Gen. 10), samenvattende naam, voor het eerst gebruikt door A. L.

Schlözer in 1781, voor een groot aantal volken in Voor-Azië, Arabië en Noord-Afrika, die onderling nauw verwante talen (Semietische talen) spraken, zonder evenwel als ras een eenheid te vormen. De oorspr. woonplaats der S. is waarsch.

Arabië geweest, vanwaar zij zich in vier verhuizingen over Voor-Azië en verder verspreid hebben, nl. in een Babylonische (Oost-Semietische; ca. 2000 v. Chr.), Kanaanietische (Noord-Semietische; ca. 2000 v.

Chr.), Arameesche (West-Semietische; ca. 1700 v. Chr.) en Arabische (Zuid-Semietische; 600 n.

Chr.) golf. Daarvóór zouden zich reeds de Egyptenaren afgescheiden hebben, terwijl van andere, kleinere verhuizingen (bijv. de Abessinische vanuit Zuid-Arabië) de datum niet met zekerheid vast te stellen valt.