Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 14-10-2019

Schild

betekenis & definitie

1° (krijgsk.) afweerwapen tegen pijlen, zwaardhouwen, lansstooten e.d. Bij natuurvolken veelal een vlechtwerk, bekleed met dierenhuid, later een ronde, of anders gevormde, gebogen plaat van ijzer of brons.

De grootte hield verband met het gebruik: Romeinsche zwaardvechters en Saracenen weerden de snelle zwaardhouwen af met een licht, rond schild (in lateren tijd het langwerpige scutum), boogschutters in de middeleeuwen hadden een hoog en omvangrijk schild. Het buskruit maakte het schild doelloos.

In de 19e eeuw komt het terug als pantserdekking van kanonniers op oorlogsschepen, later ook op vestingwerken en op het moderne veldgeschut. In den Wereldoorlog komt het loopgraafschild in gebruik en het mobiele pantser, in den vorm van den vechtwagen of „tank”. H. Lohmeijer.
2° (Herald.) ➝ Heraldiek.
3° (Dierk.) ➝ Schildpadden.
4° In de geologie de naam van de oude archaeïsche kernen der vastelanden, veelal rijk aan stollingsgesteenten: zoo het Canadeesche, Baltische, Braziliaansche schild.
5° (Sterrenk.). Schild van Sobieski (Lat. Scutum Sobiesii of Scutum), sterrenbeeld in den Z. Melkweg ten Z. van den Arend. Het S. bevat een der rijkste Melkwegwolken.