Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 02-10-2019

Rivier

betekenis & definitie

A) Aardr.

Een r. is een klimatol. verschijnsel, dat slechts daar kan optreden, waar de neerslag de verdamping overtreft. Geschiedt dit slechts gedurende een gedeelte van het jaar, dan ligt in de overige maanden de rivierbedding droog (fiumaren van Italië). Wordt een r. uitsluitend door het regenwater, dat echter voor een groot deel in den bodem wegzakt en eerst later in den vorm van grondwater of bronnen de r. bereikt, gevoed, dan spreekt men van een regenrivier; soms worden deze ook door het smeltwater van sneeuw in de middelgebergten gevoed (Maas). Wordt de r. gevormd door het smeltwater van een gletsjer, dan noemt men deze een gletsjerrivier (bijv. de Rhône in haar bovenloop). De grootere gletsjerrivieren nemen echter vaak stroomafwaarts zijrivieren op, die door het regenwater enz. gevoed worden, zoodat de hoofdrivier dan een gemengd type vertoont (Rijn) met een constanter watermassa dan een echte regenrivier. Het in bronnen of als grondwater te voorschijn tredende water stroomt volgens bepaalde lijnen, de afhelling volgende, in beken af.

Deze bronbeken vereenigen zich tot een r., die weer zijrivieren kan opnemen. De hoofdrivier met al haar zijrivieren vormt een riviersysteem, het door haar ontwaterde gebied haar stroomgebied.

Een grootere r. wordt ook wel stroom genoemd. De stroomdraad is de lijn, die de piunten van de r. met de grootste stroomsnelheid verbindt. Hij ligt even onder de oppervlakte, bij rechtlijnige r. in het midden van den r.-spiegel, bij kronkelende r. ligt hij dichter bij den concaven oever en slingert dus van den eenen oever naar den anderen. Naast de watermassa is het verval, d.i. het hoogteverschil tusschen twee punten van de r., de belangrijkste factor voor de r.-werkzaamheid. Betrekt men het verval op de lengte-eenheid, gewoonlijk den km, dan spreekt men van verhang. Ten gevolge van het bestaande verval stroomt onder invloed van de zwaartekracht het rivierwater naar beneden en kan daarbij arbeid verrichten:

1° door de wrijving bij het stroomen te overwinnen,
2° door te erodeeren (➝ erosie),
3° door materiaal te verplaatsen: zand en grind. Ook stoffen in zwevenden toestand (slib) en in opgelosten toestand (zouten, enz.) worden meegevoerd.

Bij enkelvoudige r. kan men onderscheiden: den bovenloop met sterk verhang (diepte-erosie en transport), den middenloop met middelmatig verhang (transport, zijdelingsche erosie, meandervorming; ➝ Dalkronkel), den benedenloop met gering verhang (accumulatie). Door erosie, transport en accumulatie tracht de r. een regelmatige verhanglijn, een evenwichtsprofiel te verwerven. De groote stroomen zijn meestal samengestelde r., uit gedeelten met zeer verschillende ontstaanswijze samengevoegd, wat in de opeenvolging van deelen met zeer verschillend verhang in de verhanglijn tot uiting komt.

Wat den aanleg der r. op een landoppervlakte betreft, worden in de terminologie van Davis onderscheiden: consequente r., dit zijn r., die een oorspr. afhelling, bijv. van een opgeheven kustvlakte, volgen. De zijrivieren, die zich het sterkste in de zachte lagen ontwikkelen en dus de strekking dezer zachte lagen volgen, worden subsequente r. genoemd; terwijl onder insequente r. zijrivieren van consequente r. verstaan worden, voor wier richting en ligging geen bepaalde oorzaak aan te wijzen is. Resequente r. zijn zijrivieren van subsequente, die dus dezelfde richting als de consequente r. bezitten, ofwel r., die de cons. richting bezitten, maar zich niet bij de vorming van een oorspr. afhelling direct daarop gevormd hebben, doch eerst veel later, nadat de afwatering een tijdlang bijv. door subs. r. geschied was. Obsequente r. zijn r., die in tegengestelde richting als de cons. stroomen; zij ontstaan bij een aantapping en aan de steile zijde van cuestas. Voor het begrip epigenetische en antecedente r., zie ➝ Dal. Zie ook ➝ Rivierverbetering; Kanaliseeren; Aantapping. Voor het gebruik van rivierwater als ➝ drinkwater, zie aldaar. Hol.

De namen van rivieren zijn deels zeer oud, doordat van de oudste tijden af stroomen en andere wateren als mijlpalen en herkenningsteekens dienden. Reeds voor-Keltisch waarschijnlijk is de naam der Maas, Keltisch die van Rijn, Isara (de Oise en de Isère in Frankrijk, de IJzer in Vlaanderen), Wezer, enz. Aan Germ. benamingen zijn buiten die op beek, vliet, nog te noemen die op ➝ -a (aha, aa, water) als Gouda, eig. goudkleurig water, Quimaha (thans Kürnach), molenwater. Mark is dikwijls de naam van een grenswater, terwijl Kelt. waternamen met Div- of Dev(la Dive, Divonne) van mythol. oorsprong zijn (goddelijk, d.i. genezend water).

Lit.: ➝ Plaatsnaam; Toponymie. Verder: Ekwall, Engl. River-Names (1928). Mansion.

B) Ned. recht. Ned. ligt aan den mond van drie groote internationale rivieren: Maas, Rijn en Schelde. De bevoegdheid om t.a.v. die r. regelingen te treffen is in belangrijke mate beperkt en geregeld door een aantal internat. verdragen, die ten doel hebben de belangen, die de vsch. oeverstaten bij het gebruik dier r. als internat. verkeerswegen en voor irrigatie- en andere doeleinden hebben, te regelen en te verzoenen. De grondslag voor al die verdragen is de zgn. Weener-Slotacte van 1815, die de vrijheid van scheepvaart voor de internat. r. als beginsel stelde. Dit beginsel is nader uitgewerkt en toegepast voor de Maas en de Schelde in de verdragen met België van 19 April 1839, 5 Nov. 1842 (Stbl. 1843, 3) en 20 Mei 1843 (Stbl. 45) e.a., en voor den Rijn in de Akte van Mannheim van 1868, gewijzigd bij het Verdrag van Versailles, echter op 14 November 1936 eenzijdig door Duitschland opgezegd.

Struycken.