Papieren geld betekenis & definitie

Papieren geld - Papieren geld zijn munten /of bankbiljetten. De eerste zijn steeds en de laatste meestal wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.

Wanneer en zoolang het papieren geld inwisselbaar is tegen edel metaal, zal het dezelfde waarde hebben als dat metaal (substitutietheorie). De dekking van het bankpapier door een zeker percentage edel metaal (bijv. 40%, zooals bij de biljetten der Ned.

Bank) dient allereerst om die inwisselbaarheid te waarborgen.Er zijn er, die de inwisselbaarheid en dekking als overbodig en onvoordeelig verwerpen, op grond dat de waarde der stof, waaruit het geld gemaakt is, geen invloed heeft op de waarde van het geld zelf. De voorstanders dezer opvatting verlangen de vervanging van het metalen geld door papieren geld, dat wettig betaalmiddel moet zijn tot ieder bedrag. Dit stelsel wordt → nominalisme (of papieren standaard) genoemd, in tegenstelling met het → metallisme, dat metaal als grondslag van een goed geldstelsel noodzakelijk acht. Het gevaar van den papieren standaard is, dat vergrooting van den geldvoorraad geen natuurlijke rem heeft, die wel aanwezig is, wanneer het papier verbonden blijft met het moeilijk te vermeerderen edel metaal.

Wat de toepassing van de boven besproken geldstelsels in de voornaamste landen betreft, het volgende:

Nederland. Invoering in 1816 van den dubb. stand, met een wettelijke verhouding van 1 goud op 15,87 zilver. Optreden van de Wet van Gresham, welke den wetgever in 1839 dwong tot verlaging van het zilvergehalte van den gulden van 961 tot 945 duizendsten, waardoor de verhouding tusschen goud en zilver 1 : 15,60 werd. Verlating van den dubb. stand, in 1847 tengevolge van de voortgezette waardedaling van het goud en invoering van den enkelen zilv. standaard. Nadat echter ook het zilver, vooral na 1870, sterk in waarde was gedaald, werd in 1875 de gouden standaard ingevoerd, echter met behoud van de zilveren teekenmunt als wettig betaalmiddel tot ieder bedrag (hinkende g. stand.). Van 1844 tot 1904 is ook Rijkspapiergeld in den vorm van muntbiljetten van 50 gld. en 10 gld. in omloop geweest.

In laatstgenoemd jaar werden de biljetten der Ned. Bank wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.

België voerde in 1861 den dubb. stand, in en sloot in 1865 met Frankrijk, Italië en Zwitserland de Lat. Muntunie, waartoe in 1865 ook Griekenland toetrad. In 1871 ging het tot den hinkenden g. stand, over met behoud van den frank (van 0,48 gld.) als rekeneenheid. Nadat deze stand, tijdens den Wereldoorlog noodgedwongen opgeheven was, werd de g. stand, opnieuw ingevoerd door het Kon. Besluit van 25 Oct. 1926 op de muntstabilisatie. Dit K.B. bracht geen minste wijziging aan de wetsbepalingen, betrekking hebbende op den wettigen omloop der bankbiljetten.

De verplichting voor de openbare kassen en de private personen om ze, ondanks elke strijdige overeenkomst, als wettelijke munt te aanvaarden, bleef bestaan. Alleen werd een nieuwe goudpariteit vastgesteld en, met het oog op den wissel op het buitenland, een nieuwe munteenheid, nl. de Belga = 5 frs. in het leven geroepen. De goudpariteit van den belga werd vastgesteld op 0,209211 gram fijn goud.

De muntwet van 30 Maart 1935 gaf aan den Koning machtiging een nieuwe goudpariteit van den frank vast te stellen, met die beperking nochtans, dat de nieuwe pariteit niet lager dan 70% en niet hooger dan 75% zou mogen zijn van de pariteit door K.B. van 25 Oct. 1926 vastgesteld.

In uitvoering van de machtiging verleend door de muntwet van 30 Maart 1935 werd op 31 Maart de nieuwe goudpariteit vastgesteld op 0,150632 g fijn goud per belga.

Engeland handhaafde sinds einde 18e e. tot 1931 den g. stand., dien het echter in laatstgenoemd jaar noodgedwongen verliet.

Frankrijk kreeg in 1803 den dubb. stand., dien het in 1871 door den hinkenden g. stand, verving. Nadat de stand, sedert den Wereldoorlog noodgedwongen prijsgegeven was, werd in 1928 de g. stand, ingevoerd met een gedevalueerden franc van ca. 0,0975 gld.

Duitse h land. Terwijl de aangesloten staten vóór de stichting van het Duitsche Keizerrijk in 1871 alle den zilv. stand, hadden, werd in 1873 de g. stand, ingevoerd, aanvankelijk hinkend, sedert 1907 zuiver. Na in de oorlogs- en naoorlogs-jaren buiten werking te zijn gesteld, werd hij in 1924 hersteld met de oude Reichsmark als basis.

Ver. Staten van Amerika, die vóór 1873 den dubb. stand, hadden, gingen in dat jaar tot den g. stand, over, die echter sedert 1878 hinkend is geworden, doordat de zilveren teekenmunt wettig betaalmiddel werd. In 1934 werd de dollar tot rond 60% der oorspr. goudwaarde gedevalueerd.

Lit.: Ad. Wagner, Sozialökonomische Theorie des Geldes und Geldwesens; Helfferich, Das Geld; Diehl, Theoretische Nationalökonomie (III); N. G. Pierson, Staathuishoudkunde (I): prof. H. Frijda, De theorie v. h. geld en het Ned. geldwezen. Vorstman