Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 29-10-2019

2019-10-29

Paal

betekenis & definitie

1° In het bouwvak, rondhout van zware afmetingen, bijv. heipalen bij fundeeringen. Men onderscheidt:

1° zgn. „Inlandsche palen”, lang 3 à 8 m en met een diameter van 0,20 tot 0,25 m op 1,50 m van den kop; ze zijn dikwijls bochtig en worden altijd in de schors geleverd.
2° Zgn. „Bovenlandsche palen”, uit Duitschland en Rusland, lang 8 à 20 m en met een diameter van 0,20 tot 0,30 m op 1 m van den kop.

Bij belangrijke bouwwerken gebruikt men voor de fundeering veelal p. van gewapend beton, vierkant, zeskant of rond van doorsnede. Betonpalen hebben, behalve de groote draagkracht, tegenover houten p. nog het voordeel, dat ze gedeeltelijk boven het grondwater kunnen uitsteken, zoodat de fundeering eenvoudiger wordt.

De lichtere houten paalsoorten komen voor onder de benamingen van: „sparren” (voor schippersboomen, vlaggestokken, kappen van eenvoudige loodsen), „juffers” (voor steigers), „kolders” en „ellens” (voor licht fundeeringswerk, beschoeiingen e.d.). Metz.

2° (Herald.) Verticale band in het midden van een wapenschild. Zie → Heraldiek.