Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 29-10-2019

Overeenkomst

betekenis & definitie

A) Natuurrecht.

O. in ruimeren zin is iedere twee- of meerzijdige rechtshandeling, waarbij door de wederkeerig verklaarde wilsovereenstemming van twee of meer personen een rechtsgevolg wordt te weeg gebracht. In strikteren zin wordt o. beperkt tot die gevallen, waarin zoo ’n rechtshandeling er op gericht is om een vermogensrechtelijke verbintenis van een der partijen of van beide te doen ontstaan.

De o. met haar rechtsgevolgen berust op het natuurrecht zelf. De samenleving en het maatschappelijk verkeer eischen, dat aldus door o. rechten kunnen worden overgedragen en verbintenissen aangegaan, en dat de geldig gesloten verdragen ook worden nagekomen. Uit den aard der zaak is voor een geldig contract vereischt:

1° dat de handelende personen rechtsbevoegd zijn,
2° dat er werkelijke en vrije wilsovereenstemming is van partijen,
3° dat de o. een bepaalden inhoud heeft, die
4° mogelijk en geoorloofd is, d.w.z. niet met de goede zeden of het recht in strijd is.

Krachtens het natuurrecht is o. nietig, wanneer dwaling, bedrog en geweld of dwang oorzaak zijn, dat de vrije, wederzijdsche wilsovereenstemming ontbreekt; gevolgelijk is er dan geen bindende verbintenis (zie → Bedrog; → Dwaling en moraliteit; → Nietigheid). Voor het overige is het de taak van het positieve recht, de vereischten voor de geldigheid der contracten en de rechtsgevolgen ervan nader te omschrijven.

Is vanwege een der beletselen geen geldig contract tot stand gekomen, dan is er ook geen verplichting krachtens contract; maar het is niet uitgesloten, dat de positieve wet een gelijkluidende verplichting schept voor gevallen, dat een redelijk vertrouwen daarop gewekt is. Volledige contractvrijheid is allerminst een eisch van het natuurrecht; integendeel eischen orde en regelmaat in het maatschappelijk verkeer noodzakelijk bepaalde beperkingen. Ook is het de taak der wet, de zwakkeren tegen de overmacht der maatschappelijk en economisch sterkeren te beschermen. Buys.

B) Naar Ned. recht bestaat geen onderscheid meer tusschen → contract en overeenkomst. Het onderscheid van Pothier tusschen convention (of pacte) en contrat geldt niet meer. Alle wettelijk gemaakte o. binden. Bij de totstandkoming van het Ned. B. W. zijn beide termen met opzet naast elkaar gebezigd om te doen uitkomen, dat de wetgever geen onderscheid tusschen beide maakt.

De hoofdonderscheiding in deze materie is die in zakelijke en obligatoire o. De eerste heeft ten doel om den overgang of vestiging van een absoluut recht, de tweede om een verbintenis in het leven te roepen.

Over de totstandkoming van een o., zie → Contract (Ned. recht). De wet stelt in art. 1366 B.W. vier vereischten voor de geldigheid eener overeenkomst, dezelfde als het natuurrecht vraagt (zie boven sub I). Daarvan is de vierde (de oorzaak van de o.) de meest besproken kwestie. Zie → Oorzaak (sub 2°). Voor → nietigheid, zie dit woord.

Voor de bijzondere soorten van o. zie de afzonderlijke woorden als → Lastgeving, Maatschap, enz.

C. van Nispen tot Sevenaer.
C) Voor Belgisch recht, zie → Contract.
D) Kerkelijk recht. Het Kerkelijk Wetboek (can. 1629) bepaalt, dat inzake de vereischten voor de geldigheid van kerkrechtelijke o. en de gevolgen daarvan en het tenietgaan eener o. het burgerlijk recht van ieder land rechtskracht heeft voor de Kerk, tenzij zich daaronder bepalingen bevinden, die in strijd zijn met het natuurrecht, of het positief goddelijk recht, of met speciale bepalingen van het kerkelijk recht. De Ned. wet bevat slechts enkele van deze bepalingen, bijv. inzake de bevrijdende verjaring en den voor de geldigheid van schenkingen voorgeschreven vorm (notarieele akte), die kerkrechtelijk hoogstwaarschijnlijk niet vereischt wordt bij schenkingen voor godsdienstige of liefdadige doeleinden (can. 1513).

Sommige o. omtrent kerkelijke goederen, zooals verkoop en ruil, zijn bovendien nog aan bepaalde kerkrechtelijke voorschriften onderworpen (can. 16301542); voor de geldigheid der o. wordt vereischt voorafgaande goedkeuring der kerkelijke overheid; opdat de o. geoorloofd zij, moet er een goede reden zijn en de prijs niet beneden de door deskundigen getaxeerde waarde blijven. Mulder.