Obelisk betekenis & definitie

1° (meetk.) een prismoïde, waarvan alle opstaande zijvlakken trapezia zijn.

2° Een lange, vierkante zuil, die boven smaller is dan beneden, en waarop een kleine pyramide (pyramidion) staat. De obelisken stonden in Egypte in verband met den zonnedienst, als nabootsing van den benben-steen in ➝ Heliopolis, waarop de zonnegod voor het eerst zou zijn verschenen, volgens sommigen als belichaming van de zonnestralen.

in de 5e dynastie stonden de o. ín de zonne-heiligdommen; op enkele bevond zich een metalen zonneschijf, die de zonnestralen ver weg kaatste. Kleinere o. werden den doode in het graf meegegeven. Vanaf het Midden-Rijk werden vóór de tempels een tweetal o. opgericht. De o. zijn meest gemaakt van een enkel stuk rood graniet van Assoean; op de zijden staan veelal hiëroglyphische inscripties van den pharao, die ze oprichtte. Reeds in de Oudheid zijn vele o. naar Rome gebracht, terwijl er tegenwoordig ook elders in Europa en in de Ver. Staten zijn.

Zie: naalden van ➝ Cleopatra; ➝ Luxor. Ook in Babylonië en Assyrië werden oudtijds o. opgericht.