Noordzee betekenis & definitie

Randzee van den Atlantischen Oceaan tusschen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitschland, Nederland en België. Oppervlakte ca. 550 000 km2.

Langs de Noorsche kust loopt een merkwaardige, 50 tot 80 km breede, diepe inzinking, de Noorsche Geul genaamd, welke in het N. 250-350 m diep is, doch bij het Skagerrak een diepte van 700 m bereikt. Het overige deel der N. heeft een vlakken bodem, de diepte neemt van Noord naar Zuid geleidelijk af en bedraagt in de Noordelijke helft 50 tot 80 m, in de Zuidelijke 20 tot 40 m.

Op de → Doggersbank is de minste diepte 13 m. Voor de Ned. kust ligt de „Breeveertien” met ong. 14 vadem water (ca. 25 m).De bodem bestaat vnl. uit zand en slik, met hier en daar overblijfselen van gesteenten uit den Ijstijd. Het zoutgehalte bedraagt waar de N. aan den Atl. Oceaan grenst 35°/oo, in de Duitsche Bocht 32,5 °/oo, in de Waddenzee 31 %o Gemiddelde watertemp. in het N. ’s zomers 18° C, ’s winters 7° C, in de Duitsche Bocht 16° en 2 a 3° C, in de Waddenzee ’s zomers 18° C, doch ’s winters daalt hier dikwijls de temp. onder het vriespunt en heeft er ijsvorming plaats. De bijzonderheden der N. zijn gedurende vele jaren nauwkeurig bestudeerd door de meteorologische en hydrographische instellingen, visscherij-instituten enz. der omringende landen. Onderlinge samenwerking bij het onderzoek bracht het „Conseil International Permanent pour l’Exploration de la Mer” te Kopenhagen. Ook de getijden zijn nauwkeurig bestudeerd, doch er is hierbij nog wel wat onduidelijks.

Die op de Ned. kust zijn wel het beste bekend (dr. J. P. van der Stok, prof. H. G. van der Sande Bakhuyzen, J. M.

Pfaff en M. H. v. Beresteyn). Langs de Eng. Oostkust trekt een tak van den vloedstroom om de Zuid, welke, na op de hoogte van Yarmouth reeds een tak naar de Ned. kust bij Terschelling afgezonden te hebben, ten slotte voor het Nauw van Calais naar de Ned. kust ombuigt en langs deze kust in Noordel. richting loopt. Bij Terschelling vereenigt hij zich weder met den afgezonden tak.

Het in het Kanaal optredende getij is voor de getijden der N. van zeer geringe beteekenis. In het Skagerrak schijnt een afzonderlijke getijgolf op te treden. Het verval bedraagt 2 à 3½ m, behalve waar plaatselijke omstandigheden zulks beïnvloeden (springtij Oostende 5 m, The Wash 7 m). Het getij heeft een dubbeldaagsch karakter. Op de Ned. kust neemt het amplitude af van Vlissingen (gew. tij 3,7 en springtij 4,7 m) naar Den Helder (voorgaats: gew. tij 1,1 en springtij 1,4 m) en stijgt vandaar naar de Duitsche Bocht weder. Het niveau der N. vertoont een eigenaardigen jaarlijkschen gang, met een minimum in April en twee maxima in Oct. en Dec., gescheiden door een uitgesproken minimum in November.

Op de Ned. kust bedraagt het verschil tusschen hoogste en laagste maandgemiddelde 20,7 cm. De N. heeft een echt zeeklimaat, ’s winters zacht en stormachtig, ’s zomers koel en regenachtig. Z.W. tot N.W. winden overheerschen. Mist en nevel treden veelvuldig op.

De vischvangst is zeer belangrijk (haring, schelvisch, kabeljauw, tarbot, schol, tong, makreel, enz.). In 1933 bedroeg de totale vischvangst 1173 millioen kg, waarvan Noorwegen 28,4 %, Engeland 21,8 %, Schotland 14,8 %, Duitschland 16,5 %, Nederland 9,5 % (waarde 11,5 millioen gld.; percentage de laatste jaren sterk achteruitgegaan).

De N. behoort tot de drukst bevaren gedeelten der zee, hoewel de scheepvaart bemoeilijkt wordt door veel stormen, mist en talrijke zandbanken en ondiepten. Talrijke vuurtorens, lichtschepen, enz. vergemakkelijken het drukke verkeer. Het aantal natuurlijke en kunstmatige havens is zeer groot, eveneens het aantal badplaatsen. In geopolitiek opzicht is de N. zeer belangrijk, daar zij niet alleen dient voor het verkeer der N. Europ. landen onderling, maar ook voor hun verbinding met den Atl. Oceaan. Engeland beheerscht den Noordel. verbindingsweg en te zamen met Frankrijk den Zuidelijken door het Kanaal.

De N. is in den loop der tijden aan veel veranderingen onderhevig geweest. Gedurende het Tertiaire en het Diluviale tijdperk is zij afwisselend van vorm en grootte geweest, in de IJstijden geheel of gedeeltelijk met ijs bedekt. Een tijd lang stroomde de Rijn met als zijrivier o.a. de Theems, een delta vormende door wat thans de Zuidelijke N. is en mondde uit op de breedte van de Humber. Na het ontstaan van het Nauw van Calais, vermoedelijk slechts enkele duizendtallen jaren vóór het begin onzer tijdrekening, werden de stroomen in de N. gewijzigd en ontstonden langzamerhand de tegenw. kusten.

Lit.: J. P. v. d. Stok, Etudes des Phénomènes de Marée sur les Cótes Néerlandaises (4 dln. Kon. Ned. Meteor.

Inst. 1904-’05); H. Merz, Nordsee Handbuch (2 dln. 1923 en ’26) ; verder de talrijke desbetreffende uitg. v. h. Kon. Ned. Meteor. Instituut, de Deutsche Seewarte en de bovengenoemde Conseil Permanent de l’Exploration de la Mer. Wissmann.