Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 16-10-2019

Muziekgeschiedenis

betekenis & definitie

Men bedoelt hiermee meestal de geschiedenis der muziek van het Avondland, terwijl de m. der exotische en der natuurvolkeren meer tot het gebied der vergelijkende ➝ muziekwetenschap behoort. In groote trekken kan men het volgende overzicht geven:

A) Oudheid.

Egypte. Uit dit land is geen practische muziek tot ons gekomen. Afbeeldingen bewijzen een belangrijke muziekcultuur: de hoog ontwikkelde muziektheorie werd op mathematische basis door de priesters beoefend; zij oefende haar invloed uit op Grieken, Joden en Arabieren. Instrumenten: harp (tebuni), luit (nabla), dubbel-fluit (mem), trompet en talrijke slag- en klapper-instrumenten (sistrum).

Voor China, Japan, Arabië, Perzië, Indië, Griekenland, Joodsche muziek, vgl. deze trefwoorden.

Lit.: J. N. Forkel, Allg. Gesch. der Musik (I Leipzig 1788): C. Sacho, Musik des Altertums (1924).

B) Middeleeuwen.
a) Muziek der eerste Christenen. Uit de puinhoopen der door de Volksverhuizing vernietigde Antieke cultuur doet de Kerk nieuw leven opbloeien. Naar aanleiding van de Grieksche toonladders ontstaan de kerktoonaarden. Hymnen, sequenzen en tropen ontstaan. Zangerscholen (Metz, St. Gallen) verbreiden het Gregoriaansch.

Lit.: De muziek der eerste Christenen (in: De Muziek, V 1931, 207, 248 vlg.); P. Wagner, Einführung in die Greg. Melodien (I en III).

b) Meerstemmigheid. Uit de 9e eeuw komen de eerste berichten der meerstemmigheid (Scotus Eriugena). Tegen een melodie (cantus firmus) zong men een of meer tegenstemmen, hetzij in kwarten en kwintenparallellen, hetzij dat de nieuwe melodie in de unisono begon en eindigde, en zich hoogstens een kwint van de gegeven stem verwijderde. Vormen: organum, discantus, conductus, faux bourdon. Uit de Nôtre-Dameschool (ca. 1200) ontwikkelt zich het motet: mensuraalnotenschrift.

Lit.: Adler, Hdb. der Musikgesch. (I, 159-265).

c) Wereldlijke muziek (troubadours, trouvères en meesterzangers). Naast het kerkelijke lied ontwikkelt zich ook het wereldlijke. Documenten uit de eerste tijden ontbreken. Uit afbeeldingen blijkt, dat instrumenten een begeleidende functie hadden. Aan de vsch. vorstenhoven bloeit de epiek en lyriek. De notatie geschiedde evenals bij het Gregoriaansch door (heden) moeilijk te ontcijferen neumen, later door koraalnoten. De rhythmiek staat ook nog niet vast.

In Spanje en Z. Frankrijk heerschen de troubadours (G. de Poitiers); in N. Frankrijk trouvères (A. de la Hale, Richard Leeuwenhart); in Duitschland de Minnezangers (W. v. Eschenbach, W. v. d. Vogelweide); in burgerlijke kringen ontstaat het meestergezang (Hans Sachs).

Lit.: Pierre Aubry, Trouvères et troubadours; F. v. d. Hagen, Die Minnesinger (5 dln. 1838-’56); Wagenseil, Von der Meistersinger holdseliger Kunst (1697); W. Nagel, Studiën z. Gesch. der Meistersinger (1909).

C) De Renaissance (ca. 1300-1600).
a) Begeleide vocale stijl der vroeg-Renaissance (1300-1400). Een nieuwe stijl (Ars Nova) brengt een omwenteling in de metriek, rhythmiek en melodiek (Ph. de Vitry). Nieuwe kunstvormen: in Frankrijk: motet, ballade, virelai; in Italië: madrigaal, caccia.

Lit.: H. Besseler, Studiën z. Musik des Mittelalters (in: Arch. f. Musikwiss., 2e afl. 7e en 8e jg.); J. Wolf, Florenz in der Musikgesch. des 14 Jhdts. (in: Sammelb. d. Int.

Mus. Gesellsch., III, 599).

b) De Bourgondische en Nederlandsche scholen. Na den terugkeer van den Pauselijken Stoel in Rome (1377) breekt er een bloeiperiode voor de geestelijke muziek aan. Gedurende bijna twee eeuwen beheerschen de Nederlanders de muziek. Hoofdvertegenwoordigers: Binchois, Dufay, Okeghem, Josquin des Prez, Willaert en Lassus. Hoogtepunt in contrapuntische schrijfwijze (imiteerende a-cappella-polyphonie). In het midden der 16e eeuw nemen de Italianen (Venetiaansche en Romeinsche school) de leiding: Gabrieli, Palestrina, de grootmeester der Mis. Opkomst van het Prot. kerklied (Luther, Osiander). Wereldlijke liedkunst in Italië en Frankrijk (frottola, villanella, chanson).

Uitg. en Lit.: 6 Trienter Codices, in: Denkmaler d. Tonkunst in Österreich (VII; XI, 1; XIX, 1; XXVII, 1; XXX, 1); gezamenl. werken van: Josq. des Prez (Smyers), Palestrina (Witt en Haberl), Lassus (Haberl en Sandberger); H. Besseler, Musik d. Mittelalters u. der Renaissance (in: Bücken, Hdb. d. Musikwiss., 1933).

c) Het begin der instrumentale muziek. Het volledig vervangen van zangstemmen door instrumenten in de motetten en chansons leidde tot een zelfstandige instr. kunst. In Engeland vindt men de oudste sporen (ca. 1350: orgeltabulaturen). Ca. 1500 de Duitsche „coloristen” Paumann en Schlick. In Italië ontstaan de sonate, de canzone, het ricercar en de improvisatorische toccata (Willaert). Opkomst der dansvormen (suites). Huismuziek: luit en clavecimbel.

Lit.: Frotscher, Gesch. des Orgelspiels (1935); M. Seiffert, Gesch. der Klaviermusik; O. Korte, Laute u. Lautenmusik; J. Wolf, Die Tänze des Mittelalters (in: Arch. f. Musikwiss., I).

D) De monodische stijl (generale bas), ca. 1600-1750.

Als reactie op den contrapuntischen stijl, mede door herleving van het Klassieke drama, ontstaat in Florence de Stile recitativo met als gevolg: rehabilitatie van de begeleide monodie, zoowel in het dramatische sologezang, den zgn. Stile rappresentativo (opera en oratorium), als in het meerstemmige gezang en de instrumentale kunst (duet, cantate, concert), en ten slotte de ontwikkeling der zuivere instrumentale kunst uit de vocale (sonate, suite, ouverture, concerto grosso). De a-cappella-stijl sterft langzaam uit. Bloei van de Ital. opera (Florence, Venetië, Napels). Zij oefent grooten invloed uit in Frankrijk en Duitschland. De polyphone stijl handhaaft zich het langst in de orgelmuziek (Frescobaldi, Sweelinck, Bach). Ook de kamermuziek komt tot grooten bloei (Corelli, Tartini).

Lit.: Riemann, Hdb. der Musikgesch. (II 21922); J. A. Fuller Maitland, The age of Bach and Handel (Oxford Hist. of Music, IV).

E) De nieuwe tijd (sedert 1750).
a) De Weensche klassieken. De tweede helft der 18e eeuw brengt een nieuwen tijdgeest (Aufklärung, „terug tot de natuur”). Ook de muziek slaat een „natuurlijker” toon aan. Gluck hervormt de opera; in Italië ontstaat de opera buffa, die in Frankrijk haar parallel in de „opéra comique” en in Duitschland in het „Singspiel” vindt. Voor de ontwikkeling der instrumentale kamermuziek zijn de „Mannheimers” (Stamitz, Richter) van groot belang: ontwikkeling van den sonate-vorm, uitbreiding der instrumenten. Haydn, Mozart en later Beethoven beheerschen het eind der 18e eeuw. De polyphone kunst en de generale bas raken in vergetelheid.
b) De Romantiek (19e eeuw). De muziek krijgt een sterk literairen inslag. Bloei van het kleine intieme muziekstuk (Chopin, Schumann). Symphonieën met programma: Berlioz, Liszt (poèmes symphoniques), Strauss (symphonische Dichtungen). Als natuurlijk gevolg van de heerschappij der literatuur bloei van het lied: Schubert, Schumann, Brahms, Wolf.

Lit.: K. Ph. Bernet-Kempers, Muziek in den ban der letteren (1937); Riemann, Gesch. der Musik nach Beethoven.

c) De tijd van 1880 tot 1900. In Frankrijk ontstaat, geïnspireerd door de schilderkunst, het Impressionisme in de muziek. Verfijning van het koloriet; verslapping van den vorm. Hoofdvertegenwoordigers: Debussy en Ravel. In Duitschland aardt deze kunst minder en beleeft de Romantiek haar nabloei (Mahler, Strauss, Reger). Het consonantbegrip wordt uitgebreid. Het orkest wordt soms „ad absurdum” uitgebreid (Mahler, 8e symphonie).
d) De nieuwste tijd. Met de 20e eeuw doet een versobering haar intrede in de muziek. Men streeft naar kleine ensembles (kamerorkest) en experimenteert met verschillende instrumenten-combinaties. Loslating van het tonale stelsel: atonaliteit (Schönberg, von Webern), Zwölftonmusik (Hauer), derde- en kwarttoonmuziek (Busoni, Haba). Teruggrijpen naar pseudo-klassieke vormen (Strawinskij).

Lit.: Mersmann, Mod. Musik (in: Bücken, Hdb. d. Musikwiss.).

Alg. lit.: De oudste muziekgesch. schreef W. C. Printz: Hist. Beschreibung der edle Singund Klingkunst (1690). Het eerste belangrijke werk is Padre Martini’s Storia della Musica (1757-’81), het gaat helaas slechts tot en met de Grieken. Dan volgen: Burney, A general Hist. of Music (4 dln. 1776-’89); Forkel, Allgem.

Gesch. der Musik (tot ca. 1500) (2 dln. 1788, 1801). Een evenement is Ambros’ Gesch. der Musik (tot de 17e eeuw) (4 dln. 1862-’78). Voorn. moderne standaardwerken: Oxford Hist. of Music (6 dln. 1901-’05; in herdruk); J. Smits van Waesberghe S.J., Muziekgesch. der M.E. van ca. 800-1350 (1935); Riemann, Hdb. der Musikgesch. (5 dln. 21923); G. Adler, Hdb. d. Musikgesch. (21929); Bücken, Hdb. d.

Musikwissenschaft (10 dln. 1927-’34). Beide laatste met medewerking van vele musicologen. Koole.