Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 16-10-2019

2019-10-16

Mutatie

betekenis & definitie

1° (Biologie) De veranderlijkheid, waaraan de levende wezens onderworpen zijn, is een gevolg

1° van niet erfelijke wijzigingen of ➝ modificaties;
2° van het voorhanden zijn, binnen de soort, van verschillende genen, wier erfelijk gedrag door de wetten van het ➝ Mendelisme wordt beheerscht;
3° van het optreden van plotse, erfelijke wijzigingen, die niet door de bastaardnatuur der ouders verklaard kunnen worden. In het laatste geval heeft men met een m. te doen.

In de erfelijkheidsleer maakt men een onderscheid tusschen de factor- of genmutatie (point-m.), waarbij de erfelijke wijziging zich beperkt tot een factor, die in een bepaald chromosoom gelocaliseerd is, en de heteroploïdiemutatie, waarbij de erfelijke wijziging een gevolg is van de verdubbeling van het aantal chromosomen of van het aanwezig zijn in het idioplasma van een aantal chromosomen beneden of boven het normale getal. Men heeft kunnen aantoonen, dat invloeden van buiten uit, nl. inwerking van radium, röntgenstralen, ultraviolet licht, temperatuurschokken en kiembeschadiging ten gevolge van vergiften, de erfelijke constitutie van een organisme kunnen veranderen en dus een m. doen ontstaan. Of in de natuur ook autogene veranderingen, onafhankelijk van uitwendig werkende oorzaken, in het organisme kunnen optreden, is waarschijnlijk, doch nog niet afdoende bewezen. De m. mag niet verward worden met de „Dauermodifikation”; om met zekerheid na te gaan of een plots optredende, nieuwe vorm een m. is, zou onderzocht moeten kunnen worden of het uitgangsmateriaal homozygoot was, wat in vele gevallen zeer moeilijk, zoo niet practisch onmogelijk is. Zie ook ➝ Mutatietheorie.

Lit.: P. Hertwig, Partielle Keimesschädigungen durch Radium und Röntgenstrahlen (Hdb. d. Vererb. Wiss. III, C, 1927); H. Stubbe, Untersuch. über experim.

Auslösung von Mutationen bei Antirrhinum majus (Zschr. f. ind. Abst. u. Vererbungslehre, 1930-’32). Dumon.

2° Ander woord voor stemwisseling.
3° (Muziek) Mutatie heet in de leer der Guidonische solmisatie de overgang van het eene hexachord in het andere, waarbij een bepaalde toon een anderen naam krijgt, welke zijn plaats in het volgend hexachord aanduidt. ➝ Hexachord; Guidonische hand.