Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Mensch

betekenis & definitie

A) Lichaamsbouw

In lichamelijk opzicht is de mensch niet af te scheiden van de dierenwereld en behoort als zoodanig tot de groep der zoogdieren.

Met deze heeft de m. niet alleen het algemeene schema van bouw en verrichting gemeen, maar bovendien vertoonen de afzonderlijke organen een ver gaande overeenkomst. De geestelijke meerderwaardigheid van den m. is zóó sterk uitgesproken, dat zij ook in lichamelijk opzicht de bijz. eigenschappen heeft beïnvloed, waardoor de m. zich het meest van de dieren onderscheidt.

Op de eerste plaats moeten hier de hersenen vermeld worden, waarvan speciaal de schors der groote hersenen een ontwikkeling heeft, die bij geen enkel dier aanwezig is. Zoowel de grootte als het aantal zgn. windingen zijn een maatstaf voor de opvallende geestelijke verrichtingen, waartoe de m. in staat is. In verband hiermede heeft ook de menschelijke schedel talrijke verschilpunten met dien der dieren. De ruimte, die door de hersenen wordt ingenomen, is relatief zóó groot, dat zij boven de overige deelen (aangezicht, mond- en neusholte) aanzienlijk overweegt. Waarschijnlijk in verband met de spraak en de daarvoor benoodigde spieren heeft ook de kin van den m. een sterke ontwikkeling.

Een tweede belangrijk verschilpunt met de dieren vormen de handen, die bij den m. zeer verfijnde en samengestelde werktuigen zijn.

De opgerichte gang, waardoor alleen de onderste ledematen voor het dragen en voortbewegen van het lichaam zorgen, vereischt ook geheel andere statische verhoudingen dan die bij het dier voorkomen. In den bouw van de wervelkolom, van heup- en andere gewrichten, evenals in de plaats en bevestiging van verschillende organen komt dit verschil het sterkst tot uiting. Een korte bespreking van de ligging der voornaamste inwendige organen volgt hier. In de borstholte bevinden zich op de eerste plaats de ademhalingsorganen. De door de luchtpijp binnendringende lucht verdeelt zich over de beide longen, die een groot gedeelte van de borstholte vullen. Tusschen beide longen bevindt zich het hart.

Hier komen de slagaderen, die het bloed van het hart naar de longen en de overige deelen van het lichaam brengen, en de aderen, die het bloed weer naar het hart terugvoeren, tezamen. De groote lichaamsslagader loopt eerst naar boven, dan met een bocht naar achter en ten slotte naar beneden om dan het middenrif te passeeren, dat de borstholte van de buikholte scheidt, en als buikslagader het bloed verder naar de onderste helft van het lichaam te brengen.

In de buikholte liggen de organen der spijsvertering. De spijzen, die door den slokdarm de borstholte gepasseerd zijn, komen hier in de maag terecht. Hieraan sluit zich eerst de twaalfvingerige darm aan. Hierin monden uit de afvoergangen van lever en alvleeschklier. De spijzen komen dan door den dunnen darm, die een groot gedeelte van den inhoud van de buikholte opvult. De dunne darm mondt uit in den dikken darm, rechts onder in den buik, in het gedeelte, dat blinde darm heet.

Hieraan bevindt zich het wormvormig aanhangsel. De dikke darm loopt eerst naar boven, daarna van rechts naar links, om dan bij de milt naar beneden te buigen en in den endeldarm te eindigen. Over de darmen heen ligt als een vlies het groote net. Dieper in den buik liggen de urinewegen. De beide nieren liggen links en rechts van de wervelkolom, aan de bovenzijde grenzende aan de bijnieren. De urine wordt door de urineleiders van de nieren naar de urineblaas geleid, die onder in den buik is gelegen.

Verdere bijzonderheden vindt men bij de vsch. organen afzonderlijk. Zie ook → Geslachtsorganen (sub 2°). Zie verder → Menschenrassen. Castelein.

Over den oorsprong van den mensch (anthropogenese) zie → Homo (sub C); vgl. ook -→ Afstammingsleer (beoordeeling der).

Voor den palaeontologischen mensch, zie → Homo. Zie ook → Praehistorie.

B) Van wijsgeerig standpunt beschouwd, is de m. een stoffelijk-geestelijk wezen (→ Eenheid, sub Eenheid v. d. mensch). Dat behalve een stoffelijk element in den m. ook een geestelijk beginsel moet aanwezig zijn, kan onweerlegbaar worden aangetoond uit de onstoffelijke werkdadigheid van verstand en wil. → Ziel (onstoffelijkheid der). Daar verder de verrichtingen van deze geestelijke vermogens op de allerinnigste wijze samenhangen met de lagere functies van het menschelijk samenstel, kunnen de bedoelde elementen (stof en geest) niet opgevat worden als twee afzonderlijke wezens, maar beide zijn slechts op-elkander-betrokken deelen of beginselen van de ééne wezenheid mensch. De ware aard van deze samenstelling wordt ons slechts duidelijk door de AristotelischThomistische → stof-en-vormleer. Overeenkomstig deze leer is de menschelijke ziel het bepalend beginsel of de zelfstandigheidsvorm van een op haar afgestemde potentie of aanleg, de eerste stof. Daar de eerste stof een zuivere aanleg is, die slechts beperkingen aanbrengt in de quantitatieve orde, kan zij onmogelijk de reden zijn van een of andere zijnsvolmaaktheid als zoodanig. Deze laatste vindt haar oereigen bron in de menschelijke ziel en wordt, in zoover die volmaaktheid daarvoor vatbaar is, slechts quantitatief-beperkt door de eerste stof. Derhalve is de menschelijke ziel ook het bepalend beginsel van alle zgn. stoffelijke eigenschappen en verrichtingen van het menschelijk lichaam, zooals voeding, voortplanting, wasdom, enz. Elk ideëel en begrijpelijk element, dat in de genoemde verrichtingen aanwezig is, komt derhalve van de menschelijke ziel, en slechts hun quantitatieve zijde, in zoover deze een beperking insluit van het ideëele beginsel, moet op rekening gezet worden van de eerste stof. Datgene dus, wat men in het gewone spraakgebruik menschelijk lichaam noemt, is niet de materia prima alleen, maar de menschelijke wezenheid, stof en vorm dus, echter slechts in zoover deze wezenheid gekenmerkt is door eigenschappen, die ook bij de lagere, plantaardig-levende of levenlooze stoffen worden gevonden. Dat de menschelijke ziel, een geestelijk beginsel, tevens het bepalend princiep zou zijn van stoffelijke eigenschappen of verrichtingen, sluit geen tegenspraak in. Immers datgene, wat de zijnsvolmaaktheid van elk ding bepaalt, is een ideëel, dus onstoffelijk element. Alle dingen immers zijn evenzoovele „verwerkelijkingen” van de Scheppersgedachte. Juist daarom, maar daarom ook alleen zijn ze voor ons verstand toegankelijk. Behalve verrichtingen, die de menschelijke ziel in vereeniging met de eerste stof volvoert, zijn er andere, daarvan dit geestelijk beginsel alleen de bron is, nl. denken en willen. Ofschoon beide verrichtingen uiterlijk afhangen van de stof, zijn het naar wezen geestelijke dadigheden. Zooals echter de dadigheid of verrichting is, zoo is ook het wezen, waaruit die voortvloeit. Om deze reden is dan ook de menschelijke ziel, naar de inzichten van de Thomistische wijsbegeerte, een zelfstandigheidsvorm van een bijzondere soort.

Terwijl de vormen van de lagere levende wezens en die der levenlooze dingen slechts kunnen bestaan in vereeniging met de op hen afgestemde eerste stof, is de menschelijke ziel, juist wijl ze een geestelijk beginsel is, vatbaar voor een bestaan buiten de eerste stof. Maar ook, wanneer haar deze wijze van bestaan wordt meegedeeld, blijft ze de betrekkingen behouden, die ze had ten opzichte van de eerste stof, waarvan ze als verwerkelijking of vorm eens werd geschapen. Wijl verder de menschelijke ziel geen samenstel meer is van zelfstandigheidsvorm en eerste stof, is ze onvergankelijk en werd eens met betrekking tot het stoffelijk beginsel, waarvan de ouders de bewerkers zijn, uit het niet door God zelf voortgebracht. Th. v. d. Bom.

C) Bovennatuurlijk

De mensch, geschapen als beeld Gods, was voorbestemd voor de eeuwige glorie en had daartoe de heiligmakende genade ontvangen, om die glorie te verdienen. Adam’s val beroofde niet alleen hemzelf daarvan, maar was tevens oorzaak, dat al zijn nakomelingen onderworpen werden aan de → erfzonde en daardoor eveneens van die genade en dat recht beroofd werden. Christus verdiende door zijn Lijden wederom voor allen de genade, welke echter niet meer aan de natuur geschonken wordt om evenals vóór den zondeval door de voortplanting te worden overgedragen, maar Hij stelde zijn Kerk in, die aan allen de genade brengen moest door middel van de Sacramenten. Die genade geneest den mensch van de zonde en verheft hem tot een bovennatuurlijken staat, waarin hij door God vrijgevig geschonken krachten (→ deugden) heeft om niet slechts een natuurlijk geluk te bereiken, maar een bovennatuurlijk heil, waarop hij van nature geen recht heeft noch macht om het te verwerven.

Lit.: E. v. Coppenolle, De Bovennatuurlijke mensch (1925) v.d. Putte.