Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Medeklinker

betekenis & definitie

of consonant noemt men in de taalkunde de spraakklanken, die ontstaan doordat de uit de longen stroomende lucht op een bepaald punt van het spreekkanaal belemmerd wordt. Dit kan op verschillende manieren en ook op verschillende plaatsen in het spreekkanaal plaats hebben. Bij sommige m. wordt de ademstroom een oogenblik geheel afgebroken, door totale afsluiting van het spreekkanaal, waarna een plotselinge opening volgt.

Er ontstaat dan een lichte explosie. Men noemt deze m. daarom explosieven of ploffers, ook wel slagconsonanten of klappers: sommigen spreken ook van occlusieven (D. Verschluszlaute).

Wordt het spreekkanaal alleen vernauwd, niet geheel afgesloten, dan doet de ontsnappende adem een geruisch ontstaan. Men noemt deze m. fricatieven of spiranten, ook wel schuurders, glijders of geruischconsonanten (D. Reibelaute).

Beide processen kunnen gecombineerd voorkomen, waardoor de zgn. affricaten (bijv. pf in D. Pfund) en aspiraten (de invoeging van een h-klank bijv. bij de uitspraak van Eng. king) ontstaan. De ratelconsonant (r) is eigenlijk ook een combinatie van explosief en fricatief, omdat de ademstroom een bepaald gedeelte van het spraakorgaan aan het trillen brengt.

Wordt de ademstroom door den neus geleid, dan spreekt men van nasalen of neusmedeklinkers, gaat hij langs de zijwanden van de tong, dan noemt men die klanken lateralen.Schematisch overzicht der voorn. Ned. medeklinkers Stemhebbend Stemloos labiaal dentaal palataal velaar labiaal dentaal velaar explosief w, b d P t k fricatief v z g f s ch nasaal m n nj ng ratelconsonant r r lateraal l Naar de plaats van articulatie onderscheidt men vnl.:

1° bilabialen of lipmedeklinkers, die met beide lippen gevormd worden;
2° labiodentalen of lip-tand-medeklinkers, gevormd met bovenkaak en onderlip;
3° dentalen of punt-tand-medeklinkers: punt van de tong tegen de tanden of het tandvleesch;
4° palatalen of hardverhemelte-medeklinkers: tong + hard verhemelte;
5° velaren of zachtverhemelte-medeklinkers, ook wel gutturalen genoemd: tongrug + zacht verhemelte of velum;
6° in sommige Indo-Germ. talen treft men ook zgn. labiovelaren aan, die dus een dubbele articulatieplaats bezitten;
7° de h is een ademklank, die in de stemspleet zelf gevormd wordt.

Men kan de m. ook onderscheiden in stemhebbend en stemloos, naar gelang de stembanden meetrillen of niet. Een ander onderscheid wordt gemaakt naar den graad van energie, waarmede de articulatie plaats heeft; men spreekt daarom van vast en los, ook wel fortis en lenis.

Een bijzonder soort m. zijn de zgn. clicks, die in de Europ. talen nagenoeg niet voorkomen. Het zijn zuigklanken (bijv. de geluiden van een koetsier bij het aansporen van zijn paarden).

v. Marrewijk.