Maagdenburg betekenis & definitie

Hoofdstad van de Pruis. prov. Saksen, met ruim 300.000 inw. (79,6% Prot. en 4,7 % Kath.). Doorgunstige ligging aan den N. rand van de Duitsche Middelgebergten en aan den linkeroever van den middenloop der Elbe, ontwikkelde M. zich vroeg tot een flinke handels- en industriestad (Hanzestad).

Knooppunt van spoorwegen. Overlaadhaven, o.a. van kolen, petroleum en koloniale waren. De monding van het Mittelland-kanaal in de Elbe komt even beneden M. en zal ongetwijfeld den groei van M. nog sterker stimuleeren.

De oude vestingmuren belemmerden de stadsuitbreiding. Daardoor opbloei van de voorsteden Neustadt, Sudenburg en Buckau. Na slooping van de vestingmuren 1908-’12 kon M. zich flink uitbreiden en werden de voorsteden geannexeerd.

M. heeft den grootsten suikerhandel van Duitschland (verbouw van suikerbieten op de vruchtbare Maagdenburger Börde ten W. van de stad). Naast suikerfabr. bezit M. ijzergieterijen, machine- en chem. industrie.M. bezit een Naturund Heimatkundemuseum en het Kaiser Friedrichmuseum (1906) voor kunst en kunstnijverheid. v. d. Wijst.

Monumenten. Door de grondige verwoesting van de stad onder Tilly (1631) zijn slechts enkele oude gebouwen bewaard gebleven. Van belang zijn: de dom, de eerste Gotische dom-bouw in Duitschland, begonnen 1209, voltooid 1363, op de Westelijke torens na, welke van 1467-1520 zijn. De L. Vrouwe-kerk, Romaansche kruisbasiliek, begonnen in 1064, met kruisgang uit de 12e eeuw. Belangrijk ruiterstandbeeld uit de 13e eeuw op de oude markt. Raadhuis (16e en 17e eeuw). Verder belangrijke moderne architectuur (arch. Bruno Taut en Göderitz).

Na de verwoesting van 1631 is door den burgemeester Otto von Guericke een geheel nieuw en breed opgezet stadsplan ontworpen, dat echter uit zuinigheid niet is gevolgd: men heeft de oude fundeeringen gebruikt, met het gevolg, dat M. het beeld toont van een nieuwe stad op een grondplan uit de M.E. v. Embden.

Geschiedenis. M., dat reeds ten tijde van Karel den Grooten als een versterkte stapelplaats bekend is, kreeg grooter beteekenis onder keizer Otto den Grooten. Het Maagdenburger stadsrecht diende als model voor de handvesten van vele Duitsche steden. Ook als Hanzestad was M. belangrijk. Tijdens de Reformatie gold M. als het bolwerk van het Lutheranisme. Bij het beleg van Tilly (1631) raakte de stad bijna geheel in brand. In 1680 kwam M. in het feitelijk bezit van Pruisen, waartoe het, behoudens een korte onderbreking (1806-’14), bleef behooren.

Het aartsbisdom M. werd in 968 door Otto den Grooten opgericht met de suffraganen: Brandenburg, Havelberg, Meissen, Merseburg en Zeitz. Onder den H. Norbertus (1126-’34) bereikte het zijn hoogsten geestelijken bloei, doch het viel aan de Hervorming ten offer.

De O. L. Vrouwe-proosdij werd in 1016 gesticht en in 1129 door den H. Norbertus aan de Praemonstratenzen toegewezen. Het klooster maakte zich zeer verdienstelijk door de missioneering onder de Wenden, waarbij het de Slavische bevolking tevens verduitschte. In 1598 ging de proosdij tot het Lutheranisme over. Th. Heijman.