Maagdelijkheid betekenis & definitie

Als een gave der natuur bezit ieder mensch vanaf de geboorte de ongereptheid van het lichaam, d.w.z. het vrij zijn van geslachtelijke bevrediging. Deze ongereptheid is het materieele element. Wie in dien staat het vaste voornemen maakt zich te onthouden van ieder geslachtelijk genot, zoowel van het ongeoorloofde als van het geoorloofde in het huwelijk, beoefent de m.

Dit voornemen is het formeele element. Een gelofte is daartoe niet vereischt, ofschoon dit voornemen gewoonlijk door een gelofte bekrachtigd wordt (→ Gelofte, sub Gelofte als huwelijksbeletsel). De m. gaat onherstelbaar verloren door een vrijwillige handeling, die de ongereptheid van het lichaam wegneemt.

Christus prijst hen, die zich onhuwbaar gemaakt hebben om het rijk der hemelen (Mt. 19.11), en St. Paulus zegt van de maagden, dat zij bezorgd zijn om heilig te zijn naar lichaam en ziel (1 Cor. 7.34). De Kerkvergadering van Trente veroordeelde de leer, dat de huwelijksche staat den voorrang verdient boven den maagdelijken staat (sess.

XXIV, can. 10). Het Christelijk huwelijk is heilig als beeld van de zeer volmaakte vereeniging, die Christus met de Kerk als zijn Bruid verbindt; maar die bruidsverhouding wordt nog meer direct uitgedrukt door de m., omdat men zich door de m. als bruid aan Christus wegschenkt. De kuischheid wordt door de m. vervolmaakt, aangezien de vrijwillig bewaarde lichamelijke ongereptheid een kostbare vrucht van het beoefenen der kuischheid is, terwijl het vaste voornemen, die ongereptheid te bewaren, wijst op het verlangen naar een zoo volledig mogelijke overwinning der begeerlijkheid.

Door de m. stelt de mensch de liefde Gods boven het aardsche en maakt zich vrij voor den dienst van God.Lit.: St. Thomas, Summa Theol.; A. Vermeersch S.J., De Castitate; Dietrich von Hildebrand, Reinheit und Jungfräulichkeit (München 1928). P. Heymeijer.