Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Lindemans

betekenis & definitie

1° Constant, priester-leeraar aan het S. Pieterscollege te Leuven. *31 Juli 1896 te Opwijk (Z. Brab.).

Op zijn stukken, met hooge speelkwaliteiten, is invloed van Duitschland en vooral van Kath. Vlaamsch volkstooneel merkbaar. Ze zijn omkranst met droom en poëzie, legende en folklore, en hebben een satyrischen inslag.

Meerdere soberheid in later werk.Werken: Sneeuwwitteken (1922); De Duvelschuur (1924); Marten de Haas (1935). A. De Maeyer.

2° Jan, Belg. taalgeleerde. *1888 te Opwijk. Doctor in de Germ. philologie. Oprichter-redacteur van het tijdschrift Eigen Schoon (1911-’14).

Werken: o.a. Plaatsnamen (1924; 1925); Brabantsche Plaatsnamen (4 dln. 1931-’33); West-Brabant (dl. IV der serie Steden en Landschappen).