Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Lever

betekenis & definitie

(Lat.: hepar, jecur), een der meest belangrijke klieren in het lichaam der gewervelde dieren. Meestal bezit zij twee of meer groote lobben, heeft een bruinroode kleur en is zeer bloedrijk. De aanleg geschiedt van uit den middendarmwand als een langgerekte, holle uitstulping, die zich spoedig in twee afd. splitst, waarvan de eene de eigenlijke l., de tweede de galblaas vormt.

Bij verdere ontwikkeling maakt zich de l. meer en meer los van den darmwand en blijft zij ten slotte hiermede slechts door de galgang, ductus hepaticus, verbonden. Het eigenlijke levergedeelte vormt door verdere instulpingen ten slotte een massieve, boomvormig vertakte klier, die in een aantal door bindweefsel omgeven lobjes, leverlobjes, vervalt. Elk leverlobje bezit een netwerk van onderling anastomiseerende capillairen, galcapillairen, die door levercellen worden omgeven.

Deze galcapillairen staan in verbinding met een aan de peripherie van het leverlobje verhopend galkanaaltje. Een aantal van dgl. galkanaaltjes mondt uit in een gemeenschappelijk galbuisje, dat verder weer in verbinding staat met de hierboven genoemde galgang. Tusschen de leverlobjes bevinden zich eveneens bloedadertjes, die zich capillair in de leverlobjes vertakken en de levercellen met een capillairennet omgeven.

Het bloed in deze adertjes is hoofdzakelijk afkomstig van een groot veneus bloedvat, de poortader, die het bloed uit maagdarmvenen opneemt en naar de l. vervoert. De poortader dringt ventraal in een diepe groeve, leverpoort, de l. binnen en vertakt zich hier in steeds kleiner wordende adertjes, die ten slotte overgaan in de reeds genoemde bloedcapillairen (poortadersysteem). Langs capillairen wordt het bloed getransporteerd naar afvoerende aders, die uitmonden in de groote levervene, waarlangs het bloed verder in de richting van het hart wordt vervoerd.

Uit het om de levercellen stroomende bloed worden de grondstoffen betrokken voor de bereiding van gal en andere secreten.Bij den mensch ligt de l. vlak onder het middenrif en bedekt ze gedeeltelijk de maag; bij volwassen personen bedraagt het gewicht ong. 2 kg. Door een diepe groeve aan de ventrale zijde verdeelt de l. zich hier in twee groote lobben, waarvan de rechterlob de grootste is. In deze groeve of leverpoort dringt de poortader de l. binnen, terwijl de gal deze hier verlaat; ook ligt in deze groeve de galblaas. Het watergehalte van de l. bedraagt 80 %; als anorganische bestanddeelen worden vooral aangetroffen ijzer, 0,06 % (in jeugdtoestand meer), terwijl ook mangaan in vergelijking met andere weefsels rijkelijk wordt aangetroffen.

Tot de talrijke functies, welke de l. te verrichten heeft, behoort de uitscheiding van gal. Deze wordt door de galcapillairen aan de levercellen onttrokken, door de galbuisjes verzameld en door de groote galgang naar den darm vervoerd of tijdelijk in de galblaas opgehoopt. → Gal. Een tweede functie van de l. is, te zorgen dat de suikerspiegel van het bloed in evenwicht blijft. In normale omstandigheden bezit het bloed bijv. bij den mensch 0,08 % suiker. Wordt door de poortvene uit den darm meer suiker aangevoerd, dan wordt in de l. het teveel onder invloed van intracellulaire enzymen omgezet in glycogeen en in dezen meer stabielen vorm door de levercellen vastgehouden. Bij een sterk verbruik van suiker in de weefsels wordt uit dezen voorraad het tekort aangevuld. Bij deze regeling spelen de hormonen → insuline en → adrenaline een voorname rol. Een derde functie heeft de l. te vervullen t.o.v. de eiwit-stofwisseling. Wanneer stikstofhoudende stoffen worden gedesamineerd en de vrijkomende aminogroep zich omvormt tot ammoniak en dit zich met koolzuur uit de weefsels verbindt tot koolzure ammoniak, wordt deze laatste stof in kleine hoeveelheden naar de l. getransporteerd en in minder schadelijke producten, o.a. ureum, omgevormd en in dezen vorm naar de nieren vervoerd.

Bij de ongewervelde dieren komt geen l. voor. Wel werd vroeger de hier voorkomende → middendarmklier hiermede gelijkgesteld en met den naam van lever-alvleeschklier (hepatopancreas) aangeduid. Willems.