Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Krib

betekenis & definitie

(waterb.), dam, welke, als onderdeel van de normaliseering van een rivier, daarin van den oever af wordt uitgebouwd, om de breedte van de rivier te beperken en daardoor de diepte te vergrooten. Naar gelang de as van de krib loodrecht op den oever is gericht, dan wel een weinig stroomopwaarts of stroomafwaarts, spreekt men van perpendiculaire, inclinante of declinante krib. De afstand van de kribben houdt verband met de breedte van de rivier.

Hij moet zoodanig zijn, dat de stroom goed geleid wordt. Op de Waal liggen de kribben over het algemeen 150 a 200 m uit elkander; op den Neder-Rijn en de Lek 100 a 150 m. Een k. verkrijgt een trapeziumvormige doorsnede.

De kruin ligt aan den kop gewoonlijk op 0,20 a 1,00 m boven den middelbaren zomerstand van de rivier, en loopt landwaarts op onder een helling van bijv. 1 : 100. De kruinbreedte is 2 tot 4 m. Voor het maken van een k. wordt gebruik gemaakt van rijswerk.

Op een bovenrivier kan men hiervoor baardwerk toepassen. Men maakt dan drijvend een laag rijshout met wiepen, met palen vastgestoken in een banket van den oever.

Daarop brengt men zooveel ballast, dat het oevereinde aan den grond komt, terwijl het riviereinde nog juist drijft.

Daarna verlengt men het gemaakte werk met een tweede laag, welke op dezelfde wijze wordt behandeld, en zoo vervolgens. Komt de k. met den kop in diep water, dan vermindert men de diepte eerst door daar eenige zinkstukken op elkander te doen zinken. Het onderste stuk, het zgn. grondstuk, laat men een flink eind uitsteken om uitschuring van den bodem tegen te gaan.

Een aldus uit enkel rijswerk samengestelde k. is vrij kostbaar en heeft ook nog het bezwaar van langen tijd aan zettingen onderhevig te zijn. Daarom maakt men de k. ook wel van zand met alleen aan den kop en op de zijvlakken een dichte afdekking van rijswerk. Het gedeelte van de k. boven water kan worden gemaakt van een kleikap, afgedekt met een steen glooiing.

Een enkele steenstorting heeft ook wel toepassing gevonden. In benedenrivieren moeten de k., in verband met den wisselenden waterstand, worden gemaakt van zinkstukken.

Het grondstuk laat men weer een flink eind uitsteken.

Om rijshout te sparen, verwerkt men ook in deze kribben weer zooveel mogelijk zand. Men stort dan op elk zinkstuk eerst een laag zand van bijv. 1 m dikte, alvorens het volgende zinkstuk aan te brengen. Egelie.