Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

Kleurenblindheid

betekenis & definitie

Een aangeboren, bij uitzondering tijdens het leven ontstaan gebrek in de waarneming van kleuren. Sommige kleuren worden niet gezien. Dat valt niet op, wijl kleurenblinden zonder het te weten zich laten leiden door hun meestal goed ontwikkeld onderscheidingsvermogen voor helderheidsverschillen.

Er zijn overgangsvormen tusschen het normale zien en kleurenblindheid (trichromatische k.). Het meest onderzocht is de gedeeltelijke of dichromatische k. (Daltonisme): geel-blauw-blinden zien van de bonte kleuren alleen rood en groen; talrijker zijn de rood-groen-blinden, die enkel de nuancen geel en blauw zien. Van de mannen zijn 3-4 % rood-groen-blind; 0,5 % der vrouwen.

De k. wordt geërfd van de moeder, ook al was zij zelf niet rood-groen-blind. Totale k. (achromatisch zien) komt zelden voor: alles wordt, gelijk een photographie door het normale oog, gezien in wit, licht- en donkergrijs tot zwart. Bij uitzondering is één oog kleurenblind, het andere niet.

Zie voor de verklaring der k. het art. ➝ Kleurentheorie.Lit.: H. Köllner, Die Störungen des Farbensinnes (Berlijn 1912).

Th. Rutten.