Kleur betekenis & definitie

1° (Natuurk.). Aan de lichamen rondom ons nemen wij vorm en helderheid waar en bovendien krijgt men een gewaarwording, die men de „kleur” noemt. Voor de physische verklaring van deze waarneming wordt hier eerst het spectrum van wit licht (bijv. zonlicht) beschouwd (➝ Dispersie).

Hierin neemt het normale oog 7 primaire kleuren waar in de volgorde: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. Volgens de physische voorstelling beantwoordt dit spectrum aan een reeks electromagnetische stralingen, die van rood tot blauw geleidelijk in golflengte afnemen (van 0,8 tot 0,4 μ). Niets wijst in deze voorstelling op een indeeling in 7 afzonderlijke gebieden.

De meeste kleuren, die men waarneemt, zijn geen zuivere spectraalkleuren, doch mengsels hiervan.De wijze, waarop een k. ontstaat aan een lichaam, dat met wit licht bestraald wordt, is zeer verschillend. De zgn. lichaamskleuren, bijv. bij verfstoffen, pigmenten, ontstaan als volgt: van het opvallende licht wordt een klein percentage gereflecteerd, de rest dringt binnen, maar treedt door reflectie en breking in het lichaam voor een deel weer uit. Dit uittredende deel heeft echter absorptie ondergaan: wat er van het witte licht na deze absorptie overblijft, bepaalt de k. van het lichaam (bijv. een lichaam met een spectraalroode k. absorbeert uit het wit alle k. behalve rood).

Dat dit binnendringen essentieel is, blijkt uit het volgende: als men bijv. een stuk kopersulfaat, dat blauw van kleur is, tot poeder maakt, dan is dit poeder wit. De stralen, die ons oog bereiken, ontstaan nu hoofdzakelijk door directe reflectie aan het oppervlak, terwijl geen merkbare absorptie optreedt wegens de kleine afmetingen der deeltjes (ook schuim van bier is wit). Uit het voorgaande volgt, dat de k. eveneens van de belichting zal afhangen: een spectraalrood gekleurd lichaam zal bij verlichting met bijv. natrium-licht, dat uitsluitend spectraalgeel van een bepaalde golflengte (0,59 μ) bevat, zoo goed als geen stralen naar ons oog zenden, omdat geel tot de door het lichaam geabsorbeerde k. behoort; het doet zich dan aan ons voor als een zwart lichaam. Behalve de totale kleurverandering, die bij dit extreme geval optreedt, is er ook reeds een merkbaar verschil in k. bij verlichting met zon- of kunstlicht, doordat in dit laatste de intensiteit van de stralen met kortere golflengte (blauw en violet) geringer is. Een blauwe stof zal bijv. bij kunstverlichting meer op zwart gaan lijken.

Bij doorschijnende lichamen (bijv. gekleurd glas) ontstaan de k. eveneens door gedeeltelijke absorptie van het doorgelaten licht.

De k. van metalen, zgn. oppervlakte-kleuren, berusten op selectieve reflectie, d.w.z. bepaalde golflengten worden wel, andere niet gereflecteerd. De k. van het doorgelaten licht is anders dan die van het gereflecteerde licht (bijv. bij goud is zij bij een dunne laag doorgelaten licht groen).

De k. van dunne lagen (bijv. zeepvliezen, olielaagjes) ontstaan door interferentie, evenals de k. van den regenboog (de in elementaire beschouwingen gegeven verklaring uit breking en reflectie is niet toereikend).

De blauwe k. van den hemel ontstaat door verschil in verstrooiing van stralen van verschillende golflengten aan de luchtmoleculen en stofdeeltjes: de kortere golflengten worden meer verstrooid dan de langere. Van terzijde gezien is dit licht dus meer blauw getint, in de richting van de stralen is het roodachtig (bijv. ondergaande zon). Ook rook is om deze reden blauw gekleurd. Zie ook nog ➝ Dispersie, Kleurentheorie en Phosphorescentie. Voor de namen van kleuren, zie ➝ Kleurnaam. Voor aanvullings- of complementaire k., zie ➝ Complementaire kleuren. Zie ook 5° in dit artikel.

Rekveld.

2° Kleur der sterren. De kleuren der sterren zijn te rangschikken in een reeks wit-geel-rood, een zgn. afkoelingsschaal, d.w.z. de reeks van kleuren, die een gloeiend zwart lichaam bij afnemende temperatuur achtereenvolgens vertoont. Afwijkende k. zooals groen, dat bij dubbelsterren wel eens wordt waargenomen, moeten in den regel aan psychologische oorzaken (contrastwerking) worden toegeschreven.

De k. hangt af van de verdeeling van de stralingsenergie over de vsch. golflengten; deze verdeeling wordt bepaald door spectrophotometrie (➝ Astrospectroscopie). Verder kan men de kleuren der sterren bepalen door schatting in een willekeurige schaal; kleurschattingen zijn vooral gepubliceerd door de Vaticaansche sterrenwacht. Een ander gegeven over de k. is de kleurindex, het verschil tusschen de photographische en de visueele magnitude (➝ Helderheid) van de ster; zijn een witte en een roode ster visueel even helder, dan is de roode photographisch zwakker, doordat zij armer is aan photographisch werkzame (blauwe) stralen. Een ander kleuraequivalent, de effectieve golflengte, wordt als volgt verkregen. Men plaatst voor het objectief van een photographischen kijker een grove buigingstralie; daardoor ontstaat aan beide kanten van het gewone sterbeeld een buigingsspectrum met het violet aan den binnen- en het rood aan den buitenkant; deze spectra zijn zeer kort, practisch ronde vlekjes. De afstand van het zwaartepunt van zulk een buigingsbeeld tot het centrale beeld zal des te grooter zijn, naarmate het licht van de ster rijker is aan roode stralen. De golflengte, waarbij het zwaartepunt van het spectrum ligt, noemt men de effectieve golflengte van de ster.

Uit de k. van een ster is zijn effectieve temperatuur te berekenen (➝ Temperatuur der sterren). Daar ook het spectrum in hoofdzaak van de temperatuur afhangt, is er een nauw verband tusschen kleur en ➝ spectrum der sterren.

Reesinck.

3° Kerkelijke kleuren. In algemeenen zin zijn dit de k., voorgeschreven voor de kerkelijke kleeding, in strikteren zin zijn het de liturgische k., voorgeschreven voor dc liturgische gewaden. De eerste zijn (in het Westen): wit (paus), rood (kardinalen), paars (bisschoppen); bijkomstige: rose (protonotarissen), groen (bisschoppen), goud vermengd met rood (kardinalen), met groen (patriarchen); bijzondere: grijs; voorts zwart, in alle overige gevallen. Zeer langzaam werden zij vastgesteld. ➝ Kleeding (sub Kerkelijke k.). De liturg. k, ontstonden sinds de 8e e. Oudtijds dienden alle k. zonder onderscheid, uitgezonderd wit (feestkleur der Ouden), dat als symbool der reinheid (vgl. Apoc. 7.9) de voorkeur had (Doopkleed). In de 13e eeuw verdrong de gebruiksregel van Rome geleidelijk andere plaatselijke; sindsdien breidde het gebruik van paars zich nog uit (ten koste van zwart), voegde zich rosé eraan toe en vielen geel en blauw uit. De aldus ontstane reeks en haar gebruik verplichtte Pius V (1572) voor het geheele Westen, uitgezonderd Milaan, dat zijn eigen regeling behield (o.a. veel rood in plaats van groen). De kleur wit wordt gebruikt op feesten van de Allerh. Drieëenheid, den Zaligmaker, de H. Maagd en andere heiligen, uitgezonderd martelaren (ook Lijdensmysteries); rood op Pinksteren, Lijdensfeesten van Christus en martelaarsfeesten; groen op Zondagen (en weekdagen) na Epiphania en Pinksteren; paars op boetedagen (Vasten, Quatertemper, vigilies, Advent); rose (verzachting van paars) op Zondag Gaudete en Laetare; zwart op Goeden Vrijdag en in de doodenliturgie. De verplichting strekt zich uit tot: kazuifel, stool, manipel, koorkap, kelkvelum, beurs, schoudervelum, dalmatiek, tunicel, bisschoppelijke handschoenen, schoenen en gremiale; voorts bekleedingen van troon, faldistorium, altaar (antependium), enz.

In het Oosten zijn voorschriften schaarsch, behalve in den Byzantijnschen ritus.

Lit.: Braun, Die liturg. Gewandung; id., Die liturg. Paramente (Freiburg).

Louwerse.

4° Kleur heet in de wapenkunde ook ➝ email.
5° Kleur en muziek. Het verbinden van kleurvoorstellingen aan bepaalde muzikale elementen is sedert het begin van de 19e eeuw een voortdurend probleem geweest. Zoowel ten aanzien van toonaarden als instrumentale klanken heeft men in kleurvoorstellingen analogieën willen zien, die echter uitermate subjectief gebleken zijn. Terwijl het begrip „klankkleur” uitsluitend op het gebied van de orchestratie is ingeburgerd, zijn experimenten als Skrjabin’s „Clavier à lumière” (in zijn symphonie „Prometheus”) en het „Farblichtklavier” van A. László nooit verder gekomen.

Lit.: F. Mahling, Zur Gesch. des Problems wechselseitiger Beziehungen zwischen Farbe und Ton (diss., Berlijn 1922; aldaar voornaamste lit.).

Reeser.