Jaar Invoer Uitvoer betekenis & definitie

in in in in

1000 kg 1000 frs. 1000 kg 1000 frs.
1900 24.724 47.377
1905 20.075 53.032
1910 36.846 66.602
1915 85.866 23.453 38.213 71.994
1920 195.708 237.534 85.651 315.245
1925 552.590 981.644 213.242 628.573
1926 666.086 1.480.133 203.677 729.301
1927 684.081 1.697.367 223.266 1.055.239
1928 774.654 1.841.593 257.633 1.227.867
1929 862.326 2.206.140 300.333 1.444.266
1930 773.343 1.809.176 340.316 1.511.490
1931 397.610 1.129.744 273.372 1.104.045
1932 226.470 605.127 206.063 667.922
1933 164.229 518.919 269.239 658.348
1934 190.229 470.263 336.086 843.315

Tot in 1920 overtreft de uitvoer ver den invoer; daarna bemerkt men het tegengestelde, ten gevolge van de groote mechanisatie. Vanaf 1932, deze mechanisatiewerken voltooid zijnde, herneemt de invoer zijn normale belangrijkheid. In deze omstandigheid ligt de reden van de onregelmatigheid van K.’s invoer.

De invoer omvat aankoopen tot onmiddellijk gebruik: weefsels, blikslagerij, ruilhandel, kleeding en voedingswaren voor Europeanen, materieel, werktuigen en het voor hun onderhoud benoodigde. De uitvoer stijgt regelmatig. De devaluatie der koloniale producten heeft in 1932 een stilstand teweeggebracht, welke slechts twee jaar duurde.

In het begin der Belg. kolonisatie, door de noodzakelijkheid gedwongen inkomsten te vinden tot econ. toerusting van het land, nam men zijn toevlucht tot uitbating der plukproducten, zooals caoutchouc, palmnoten of ivoor. De voorraden van dit laatste product verminderen; caoutchouc en palmnoten leden aan concurrentie van vreemde producten van betere hoedanigheid en prijs. Andere middelen dienden gevonden te worden. Door peilingen en onderzoekingen had men koper, tin, goud en diamant opgespoord, weldra radium. Kapitalen werden spoedig gevonden om deze rijke grondstreken uit te baten. De productie van koper overtreft 150 000 ton; die van tinerts is slechts bepaald door internationale accoorden; de goudproductie bedroeg in 1934 meer dan 12 000 kg; voor radium bezit K. het monopolie.

Nu echter ziet men een nieuwe wending tot de landbouwproducten : palmnoten en palmolie meer dan 100 000 ton, katoen 20 000 ton, hout 25 000 ton, koffie 12 300 ton, cacao 1 275 ton, enz. Inlanders worden tegenw. aangezet aan de opbrengst van landbouwproducten voor uitvoer mede te werken.

Voor een land, dat zooals K. moet leven van uitvoer, is het hoogst belangrijk en voorzichtig zijn voortbrengsten zooveel mogelijk te verdeelen en het zóó te regelen, dat bij toevallige ontwaarding van één product men niet volledig aan gebrek aan inkomsten te lijden krijgt. Dit verklaart de hedendaagsche handelspolitiek van Kongo. Monheim

K) Staats- en rechtsinstellingen

Krachtens art. 1 der Belg. Grondwet, herzien in 1893, worden België’s koloniën beheerd naar de beginselen, vastgesteld door den gewonen Belg. wetgever, d.i. Kamer en Senaat, samenwerkend met den koning.

De wet op het bestuur van Belgisch-Kongo van 18 Oct. 1908, ook genaamd de Koloniale Keure, reeds herhaaldelijk gewijzigd op punten van ondergeschikt belang, huldigt het stelsel van de rechtstreeksche regeering van K. door Europ. ambtenaren, die van uit het moederland hun voorschriften ontvangen. Bij de toepassing ervan wordt allengs gestreefd naar meer decentralisatie.

K. heeft een rechtspersoonlijkheid onderscheiden van die van het moederland. Het actief en het passief van België en van K. zijn gescheiden.

Alle inwoners van K., Belgen, vreemdelingen of Inlanders, genieten de door de Belg. Grondwet verleende moderne vrijheden. ➝België.

De betrekkingen tusschen Kerk en Staat worden ongeveer geregeld als in België. Echter verviel de grondwetsbepaling, luidens welke het burgerlijk huwelijk aan de huwelijksinzegening moet voorafgaan.

Het bleek voorbarig de vrijheid van drukpers en het recht van vergadering en van vereeniging door de Kol. Keure zelf te waarborgen. Evenmin werd in de Keure opgenomen de bepaling betreffende de gelijkheid der inwoners voor de wet. Het blijft dus mogelijk wetten en administratieve maatregelen uit te vaardigen, verschillend voor Inlanders en voor Blanken. Daarentegen werd dwangarbeid uitdrukkelijk verboden. ➝Dwangarbeid.

Ten opzichte van het talenvraagstuk in K. bepaalt de Keure het volgende: „Het gebruik der talen is vrij en het wordt geregeld bij decreten, zoodanig dat de rechten der Belgen en der Kongoleezen gewaarborgd zijn, en alleen voor de handelingen van de openbare overheid en voor de gerechtszaken. Op dat gebied genieten de Belgen, in Belgisch-Kongo, een gelijke bescherming als die, welke hun in België verzekerd is. Met dat doel worden decreten, uiterlijk binnen 5 jaren na de afkondiging van deze wet, uitgevaardigd. Alle decreten en verordeningen van alg. aard worden opgesteld en bekend gemaakt in de Fransche en in de Vlaamsche taal. Beide teksten zijn officieel”. Het vraagstuk wacht nog op zijn oplossing. De in uitzicht gestelde decreten werden niet uitgevaardigd.

Verder belast de Koloniale Keure den gouverneur-generaal met de zorg voor het behoud van de inlandsche bevolking en voor de verbetering van haar zedelijke en stoffelijke levensvoorwaarden. Zij bepaalt eveneens de instelling in K. eener Commissie voor de bescherming der Inlanders. Van staatkundige rechten der inwoners van K. maakt de Keure geen melding. In dit opzicht bleef het Kongoleesch bewind absoluut: de souvereine rechten van Leopold II gingen over op den Belg. Staat.

De wetgevende macht wordt uitgeoefend:

1° door den Belg. wetgever. De Belg. wet beschikt oppermachtig in alle zaken.
2° (En dit gewoonlijk) Door den koning, op voorstel van den minister van Koloniën en op advies van den Kolonialen raad. Deze kol. wetten worden decreten genoemd. Natuurlijk geldt deze delegatie der wetgevende macht niet voor aangelegenheden, door de Kol. Keure reeds zelf geregeld of door haar aan den gewonen Belg. wetgever opgedragen. Bleek het niet mogelijk in spoedeischende gevallen hem over de ontwerpen van decr. te raadplegen, dan brengt de Kol. raad zijn advies uit over de reeds uitgevaardigde decreten. Deze Raad, gevestigd te Brussel, samengesteld uit een voorzitter (den min. van Kol.) en veertien leden, waarvan zes gekozen door de wetgevende Kamers en acht aangeduid door den koning, speelt feitelijk een groote rol. Hij mag de regeering ook wenschen voorleggen. ➝Decreet. 3° Door den gouverneur-generaal in K., doch enkel in dringende gevallen. De wetgevende ordonnantiën van den gouv.-generaal houden op bindend te zijn na 6 maanden, indien zij niet vroeger bij decreet werden goedgekeurd.

De uitvoerende macht berust bij den koning. De Kon. Besluiten moeten door een minister mede-onderteekend worden, die er voor verantwoordelijk wordt. Deze minister is doorgaans de min. van Koloniën. Zijn statuut is dat der andere Belg. ministers en wordt geregeld door de Grondwet. Hij is lid van den ministerraad en neemt er deel aan de beraadslagingen over de alg. belangen van den Staat.

Het alg. regeeringsprogramrna van K. wordt vastgesteld door den ministerraad, soms voorgezeten door den koning. De min. van Koloniën legt den raad de belangrijkste kol. aangelegenheden voor en schikt zijn beleid naar diens beslissingen. De min. van Koloniën is belast met de leiding der administratie van K. Hij schrijft den gouv.-generaal de alg. politiek voor, die hij zal hebben te volgen. Hij behandelt alle zaken, die de tusschenkomst der overheid in het moederland vereischen. Telkenjare wordt aan de Kamers een verslag van het beheer van K. voorgelegd.

De bevoegdheid van koning en minister van Koloniën in de administratie van Kongo wordt aanzienlijk beperkt door de Koloniale Keure, die voor een aantal (zelfs administratieve) maatregelen de tusschenkomst vereischt nu eens van een wet dan weer van een decreet. Anderzijds behooren de betrekkingen van België met het buitenland t.o.v. de kolonie tot de bevoegdheid van ’s Rijks min. van Buitenl. Zaken. Deze minister staat dus op dit gebied den koning ter zijde, onderteekent eventueel met hem de Kon. Besluiten. Alleen de Belg.

Staat treedt als subject op in het volkenrechtelijk verkeer. Het recht om t.a.v. K. verdragen te sluiten werd den koning opgedragen, behoudens toepassing van art. 68 der Grondwet.

Administratieve inrichting van Belgisch-Kongo

a) In K. wordt de koning vertegenwoordigd door den gouv.-generaal. Alle uitvoerende macht werd dezen door de Kol. Keure gedelegeerd. Hierin is zijn bevoegdheid slechts beperkt voor zoover een wet, een decreet of een Kon. Besluit reeds zijn uitgevaardigd.

De gouv.-generaal oefent de uitvoerende macht uit door ordonnantiën. Hij wordt bijgestaan door een vice-gouverneur-generaal, die hem desnoods vervangt, verder nog door een of meerdere staatsinspecteurs, een secretaris-generaal, een commandant van de landmacht en een reeks hoogere ambtenaren. De gouv.-generaal verblijft te Leopoldstad, hoofdstad van Kongo.

De K.B. van 29 Juni 1933 en 5 Febr. 1935 verdeelen het grondgebied in 6 provincies, aangeduid naar hun hoofdplaats (Leopoldstad, Coquilhatstad, Stanleystad, Costermansstad, Elisabethstad en Loesambo), welke op haar beurt verdeeld zijn in 15 districten (ongerekend het stedelijk district van Leopoldstad) en onderverdeeld in 104 gewesten. Over het algemeen bevat elk gewest vsch. inlandsche hoofdijen.

Aan het hoofd der provincie staat een provincie-commissaris. Hij vertegenwoordigt den gouv.-generaal, oefent de uitvoerende macht uit, en neemt administratie- of politiebesluiten, met strafbepalingen tegen overtreding. Hij wordt bijgestaan door een hoofddistricts-commissaris en door een of meer districts-commissarissen.

De ➝districts-commissaris bestuurt het district. Hij wordt bijgestaan door een secretaris en beschikt over de diensten, welke de gouv.-gen. hem toestaat. Aan het hoofd van elk gewest staat een gewest-administrateur, bijgestaan door een adjunct-gewest-administrateur en een of meer gewest-agenten. Op hem berust o.m. de verplichting om het gezag der inlandsche hoofden te behouden en uit te breiden, verkeerswegen aan te leggen en te onderhouden, de beschaving en den handel in zijn gewest te bevorderen.

De provincie-, districts- en gewestambtenaren maken deel uit van den zgn. territorialen dienst. De speciale diensten, welke den gouv.-generaal in het beheer van K. ter zijde staan (de landmacht, de dienst van de Financiën, van de Begrooting, van het Onderwijs en van de Geschillen, van de Openbare werken, van de Economische zaken, van de Hygiëne, de Post- en Telegraafdienst, de Landbouw- en Boschdienst), zijn verspreid over het alg. bestuur, de prov. besturen en, eventueel, de districten en gewesten. Evenals de territ. dienst, beschikken zij over lager personeel van inlandsch ras.

De wet van 21 Aug. 1921 heeft decentralisatie-maatregelen mogelijk gemaakt ten behoeve der groote Europ. centra. Krachtens een decreet van 12 Jan. 1923 is de gouv.-generaal gemachtigd een Europ. centrum als stedelijk district op te richten, onder de leiding van een stedelijk districts-commissaris. Deze heeft doorgaans de bevoegdheid van een gewoon districts-commissaris, doch presideert tevens een stedelijk comité. Het stedelijk district geniet de rechtspersoonlijkheid, bezit en beheert zijn eigen vermogen. Het comité is samengesteld uit Belg. leden, benoemd door den provincie-commissaris. Vooralsnog werd alleen Leopoldstad als stedelijk district opgericht.

b) Bij de bovengenoemde bestuursinstellingen is de gansche bevolking van K. betrokken. De volgende instellingen beperken zich tot de inlandsche bevolking. Deze leeft grootendeels in hoofdijen onder het gezag van hoofden naar haar voorvaderlijke gebruiken.
1° Krachtens het decreet van 5 Dec. 1933 op de zgn. inlandsche omschrijvingen, stelt de districts-commissaris de grenzen der hoofdijen, en eventueel van haar onderverdeelingen, vast, overeenkomstig de gewoonte. De hoofdijen genieten de rechtspersoonlijkheid. Zij bezitten hoofdijkassen, hebben haar jaarlijksche begrooting en mogen, onder de controle der Europ. overheid, belastingen heffen en leeningen aangaan.

De hoofdij wordt bestuurd door een hoofd. Dit wordt wel aangeduid door de gewoonte, doch behoeft de investituur van den districts-commissaris. Krachtens de gewoonte wordt het hoofd doorgaans nog bijgestaan door notabelen. Hoofden en notabelen oefenen de bevoegdheid uit, welke de gewoonte hun toekent, voor zoover deze niet in strijd is met de openbare orde of vervangen werd door een geschreven wetgeving. De gewest-administrateur kan hen bijstaan door zijn raad; hij kan ook zijn veto stellen tegen hun besluiten (zie hierna: Rechterlijke macht, in dit artikel). Doch de admin. rechten en verplichtingen der hoofden berusten eveneens op de geschreven wetgeving.

Krachtens het decreet van 1933 zijn zij hun onderhoorigen hulp en bescherming verschuldigd. Zij moeten hun de beslissingen of adviezen der Europ. overheid overmaken, evenals aan deze laatstgenoemde de aanvragen van hun onderhoorigen. Zij genieten een bezoldiging uit ’s lands kas en ontvingen, behoudens de noodige controle, het recht reglementen voor de inlanders t.a.v. openbare gezondheid, veiligheid en rust uit te vaardigen, waarvan de overtreding strafbaar is.

2° Buiten de inl. groepeeringen, op grondslag van de gewoonte ingericht, hebben zich in K. van lieverlede rond de groote Europ. centra nieuwe gemeenschappen gevormd, samengesteld uit oud-militairen, oud-arbeiders van Europeanen, oud-leerlingen van Christ. zendingen, enz. Hun rechtstoestand werd bepaald door de decreten van 23 Nov. 1931, 6 en 22 Juni 1934 op de zgn. buiten-gewoontelijke centra. Deze worden opgericht door den gouv.-generaal. Zij staan onder de voogdij van den gouv.-generaal, welke deze zending uitoefent door de tusschenkomst van een ambtenaar van den territorialen dienst. Deze centra worden bestuurd door een hoofd, bijgestaan door een adjunct en een adviseerenden raad. Hoofd, adjunct en raad worden benoemd door den districtscommissaris. Een beschermend comité, samengesteld deels uit ambtenaren, deels uit niet-ambtenaren, waakt in elke prov. over de zedelijke en stoffelijke bestaansvoorwaarden der in deze centra gevestigde Inlanders en dient jaarlijks een verslag in over de bedrijvigheid der centra.
c) Inlanders, welke buiten hoofdijen en buiten de centra leven, staan rechtstreeks onder het gezag der Europ. overheid. Zij worden ingeschreven in de hoofdplaatsen der gewesten. Het geldt hier inz. inlanders, welke voortdurend bij Europeanen in dienst zijn.

Rechtelijke macht. Ook de op dit gebied door de Belg. Grondwet erkende waarborgen werden in de Kol. Keure opgenomen. ➝België. Verder bepaalt de Keure, dat de burgerlijke en de militaire rechtbanken worden ingericht bij decreet.

Hoven en rechtbanken passen dan alleen de decreten toe, wanneer deze niet strijdig zijn met de wetten. Kon. en Min. Besluiten worden slechts toegepast, voor zoover zij met de wetten en de decreten overeenkomen. Dezelfde regelen gelden voor de ordonnantiën van den gouv.-generaal en de besluiten van de provincie-commissarissen. De administratieve overheid mag de werking der hoven en rechtbanken niet beletten, verhinderen of schorsen. Om redenen van openb. veiligheid mag de koning echter, binnen een bepaald grondgebied en voor een bepaalden tijd, de rechtspraak van de burgerlijke hoven en rechtbanken in strafzaken schorsen en deze vervangen door die van de mil. rechtbanken.

Sedert 1916 heeft de gouv.-generaal, in spoedeischende gevallen, dezelfde macht. De koning heeft het recht kwijtschelding, vermindering en verandering van straf te verleenen.

Krachtens de decreten van 9 Juli 1923, 31 Mei en 26 Nov. 1934 bestaan er in K. Europ. rechtbanken, die over Europeanen en over Inlanders rechtspreken. Drie dezer rechtbanken hebben bevoegdheid zoowel in burgerlijke en handelszaken als in strafzaken: de rechtbank van het parket (één in elk district), de rechtbank van eersten aanleg (één in elke provincie), de hoven van beroep (Leopoldstad, Elisabethstad). Vier rechtbanken verkregen alleen bevoegdheid in strafzaken: de politierechtbank (één in elk gewest, en in het stedelijk district van Leopoldstad), de districtrechtbank (één in elk district), de krijgsraden (één in elk district) en de krijgsraden van beroep (één in elke prov.). De rechters, welke in deze strafrechtbanken zetelen, zijn (buiten de voorz. der krijgsraden van beroep) geen beroepsmagistraten, maar gewestadministrateurs, districts-commissarissen of officieren. Eventueel zetelen in de politie- en de districtrechtbanken en in die van het parket inlandsche bijzitters met raadgevende stem.

Het Belg. Hof van Cassatie heeft sedert 1924 bevoegdheid t.a.v. de door de rechtbanken van eersten aanleg en door de hoven van beroep van K. in laatste instantie in burgerlijke en in handelszaken gewezen uitspraken.

Voor de Inlanders bestaan er eveneens inlandsche rechtbanken (Decr. v. 15 April 1926). De rechters in de inlandsche hoofdij-, centrum- en gewestrechtbanken zijn allen Inlanders. De gewestrechtbank wordt echter voorgezeten door den gewest-administrateur. Deze inlandsche rechtbanken nemen kennis van tusschen Inlanders gerezen geschillen, waarop plaatselijke gebruiken toepasselijk zijn, alsmede van feiten door Inlanders bedreven en strafbaar krachtens de plaatselijke gebruiken of de wet. Het geldt hier niet zware delicten. De Europ. rechtbanken kunnen haar recht van voorgang op de inlandsche rechtbanken doen gelden.

Internationaal statuut van Belgisch-Kongo. Door het op 10 Sept. 1919 te St. Germain-en-Laye gesloten verdrag werden de Alg. Acte van Berlijn van 26 Febr. 1885 (ook Congo-Acte genaamd), de Alg. Acte en de declaratie van Brussel van 2 Juli 1890 herzien. Deze conventie huldigt over het algemeen dezelfde beginselen als de Acte van Berlijn, doch machtigt de betrokken Staten de aangegane intern, verplichtingen te beperken in de mate welke in het belang van de openbare orde en veiligheid vereischt wordt. Onder voorbehoud van bovengenoemde intern, verplichtingen bepalen de betrokken staten vrij de regelen en tarieven hunner tolrechten en der scheepvaart, regelen zij vrij den toegang tot hun wateren, waarvan het gebruik niet onmisbaar is voor andere staten, beschikken zij vrij over hun goederen en verleenen zij concessies voor de ontginning der natuurlijke rijkdommen van hun grondgebied.

Kongoleesche wetgeving. Luidens de Kol. Keure bleven de wetten van den Kongostaat van kracht, voorzoover zij niet in strijd waren met haar bepalingen. Sedert 1908 hebben talrijke decreten de vroegere Kongol. wetgeving wel gedeeltelijk aangevuld of vervangen, doch een aanzienlijk deel der vroegere wetgeving behield kracht van wet, bijv. het strafwetboek en het B.W. En daar de thans geldende wetgeving nog talrijke leemten vertoont, hebben krachtens een ordonnantie van 14 Mei 1886 de rechters nog dikwijls te beslissen naar de locale gebruiken, de alg. beginselen van het recht en de billijkheid, voor zooveel zij de nationale wet der partijen niet moeten toepassen.

Strafrecht. Het Kongol. Strafwetboek is in zijn huidigen vorm het gevolg van de coördinatie, krachtens het besluit van 19 Dec. 1896, van de decreten van 27 April 1889 en 26 Mei 1888. Het bestaat uit twee boeken. Het le boek (art. 83 vlg.) huldigt de alg. beginselen, welke het Belg. strafrecht beheerschen. Het vertoont talrijke leemten, waarin de rechtspraak geleidelijk voorzag.

In het 2e boek (art. 1 vlg.) treft men de feiten aan, welke strafbaar gesteld worden. De twee boeken van het Kongol. Strafwetboek werden sedert 1896 herzien of aangevuld door een aantal jongere strafwetten. Als militair strafwetboek geldt het decreet van 22 Dec. 1888, dat ten andere zeer onvolledig is.

De bovengenoemde strafwetten zijn in beginsel toepasselijk op alle inwoners van K., zoowel Inlanders als Belgen en vreemdelingen. Doch eveneens in strafzaken bestaan er gewoonten, waarmede Inlanders hebben rekening te houden. Het genoemde decreet van 15 April 1926 bepaalt, dat gewoonten in strijd met de openbare orde of vervangen door een geschreven wetgeving, niet mogen toegepast worden. Als hoofdstraffen kunnen de inlandsche rechtbanken enkel uitspreken strafdienst, geldboete en ten hoogste 8 slagen zweepstraf (reeds verboden in talrijke gevallen).

Burgerlijk recht. Het B.W. van K. is het gevolg van de vereeniging, onder één etiket, van talrijke decreten van zeer verschillenden datum. Het bevat thans drie boeken en is nog verre van volledig. Belangrijke zakelijke rechten werden nog niet geregeld, met name het vruchtgebruik, de erfdienstbaarheden, de voorrechten. Menig deel ontbreekt nog: de erfenissen, de schenkingen en de testamenten, de huwelijkscontracten. Het boek over de personen (decreet van 4 Mei 1895) is opmerkelijk.

Menig deel van den Code Napoléon werd herzien naar de wenschen der jongste rechtswetenschap. Het boek over de goederen, dagteekenende sedert de annexatie, heeft ook op talrijke punten het Belg. B.W. verbeterd en aangevuld. Zeer verschillend van de Belg. wetgeving is de Kongol. wetgeving t.a.v. het grondstelsel. ➝Grondbezit. Van het boek gewijd aan de verdragen (decr. v. 30 Juli 1888) dienden enkele bepalingen beter aan de Afrik, toestanden aangepast. De groote massa der Inlanders is echter niet onderworpen aan het B.W.

Vallen alleen onder de toepassing der burgerlijke wetten in beginsel: de Belgen, de vreemdelingen, de beschaafde Inlanders. En het persoonlijk statuut der Belgen en der vreemdelingen wordt beheerscht door hun nationale wetten, voor zoover deze niet in strijd zijn met de alg. openbare orde. Sedert lang wordt erkend, dat de wetgeving op de zgn. immatriculatie (deer. van 27 Dec. 1892, art. 6) niet genoeg voorzorgen neemt om alleen werkelijk beschaafde Inlanders tot het Europ. statuut toe te laten. Een nieuwe wetgeving is thans in studie. Op deze zgn. geïmmatriculeerde Inlanders worden de plaatselijke gebruiken van burgerrechtelijken aard alleen dan toegepast, wanneer er leemten zijn in de geschreven wetgeving. De niet geïmmatriculeerde Inlanders blijven onderworpen aan hun gewoonten onder het reeds genoemde voorbehoud.

Mijnrecht. Krachtens de Kongol. wetgeving (decr. van 8 Juni 1888 en 20 Maart 1893; B.W.B., 2e boek, art. 16) is de Staat eigenaar van alle mijnen, zonder dat er valt te onderscheiden of de bovengrond hem al dan niet toebehoort. En niemand mag een mijn ontginnen op gelijk welke wijze, tenzij krachtens vergunning van den Staat. De Inlanders mogen echter de mijnen blijven ontginnen voor hun rekening op de door hen bezette gronden. De voorwaarden van mijnprospectie en mijnontginning in K. worden bepaald door het algemeen doch verouderd decreet van 20 Maart 1893. In het Katanga-gebied, waar de Kongo-Staat tot in 1990 zijn mijnrechten aan het Comité Spécial du Katanga afgestaan had, geldt echter een speciaal decreet van 16 April 1919.

Iedereen mag er vrij delfstoffen opzoeken, mits hij zich van een alg. verlofbrief, afgeleverd door het Comité, voorziet. Vindt de houder van den verlofbrief ernstige kenteekenen van de aanwezigheid van delfstoffen, dan kan hij een bijz. verlofbrief bekomen, die hem een uitsluitend opzoekingsrecht in den bezetten kring verzekert t.a.v. de ontdekte grondstoffen. Wil hij een mijn ontginnen, dan kan hij van het Comité een ontginningsbrief bekomen. Het Comité behoudt zich een aandeel in de uitgedeelde winsten voor. Iedere concessie duurt slechts tot 12 Maart 1990, datum, waarop de mijnen en alle inrichtingen en materieel in het bezit van de kolonie terugkeeren. Deze wetgeving van 16 April 1919 wordt eveneens grootendeels toegepast op een landstreek, waarin de Kolonie een mijnconcessie verleend heeft aan de Comp. des Chemins de fer du Congo Supérieur aux Grands Lacs Africains (decr. van 30 Juni 1922), en op een landstreek, beheerd door het Comité National du Kivu (decr. van 13 Jan. 1928).

Een ontwerp van decreet, van algemeene strekking, naar het model van het deer. van 16 April 1919, werd den Kolon. Raad voorgelegd (1935).

Arbeidswetgeving. Krachtens de decreten van 16 Maart 1922, 11 Juli 1923, 29 Mei 1931 en 19 Juli 1934 op de arbeidsovereenkomst tusschen Inlanders en beschaafde meesters worden bijzondere voorzorgen genomen om de vrijheid van arbeid te waarborgen. De tusschenkomst van de bevoegde overheden door het visa van het arbeidsverdrag wordt meestal voorzien. De verplichtingen der werkgevers zijn veel talrijker dan in Europa; zij hebben betrekking op het loon, de acclimatiseering, de geneesk. verzorging, de kleeding, de voeding, de repatrieering en zelfs in zekere mate op de huisvesting van den arbeider en van zijn gezin. Poenale sancties worden bepaald tegen beide partijen t.a.v. hun voornaamste verplichtingen. Vsch. overeenkomsten, door de Intern. Arbeidsconferentie van Genève aangenomen, werden op K. toegepast.

Handelswetgeving. Talrijke decreten zijn van kracht op dit gebied. Het volstaat te vermelden, dat de Kongol. wetgever zich meestal heeft laten leiden door de Belg. wetgeving, voor zoover deze aan de locale toestanden kon worden aangepast. Verder dat geen enkele vennootschap op aandeelen met beperkte verantwoordelijkheid in Kongo mag gesticht worden dan na machtiging bij K.B.

Fiscaal recht. Krachtens de Kol. Keure mag geen tolrecht of belasting ingevoerd, noch eenige vrijstelling van belasting verleend worden, tenzij bij een wetgevende akte. De opbrengst is uitsluitend bestemd voor de behoeften der Kolonie. De locale overheid mag, zelfs buiten de bij decreet bepaalde gevallen, aan de Inlanders tijdelijke vrijstelling van belasting verleenen. Luidens decreet van 28 Mei 1902 mogen de godsdienstige, wetensch. en liefdadige instellingen aanspraak maken op een vermindering van 50% van hun rechtstreeksche en persoonlijke belastingen.

Worden vrijgesteld van elke belasting, krachtens het decreet van 23 Oct. 1906, dezelfde instellingen, welke bij decreet van openbaar nut werden verklaard, alsmede de stichtingen in het alg. belang ingesteld en welke de rechtspersoonlijkheid ontvangen hebben. De voornaamste belastingen zijn de volgende: de inlandsche belasting, de persoonlijke belasting, de belasting op de inkomsten, de tolrechten. Voor de inlandsche belasting, zie onder ➝Belasting. Krachtens het deer. van 22 Dec. 1917 wordt een persoonlijke belasting ingesteld naar vier grondslagen: de opp. der bezette gebouwen, die der onbebouwde gronden in de steden, het personeel, de vaartuigen. Deze belasting, evenals de vlg., treft bijna uitsluitend de Europ. bevolking. De inkomstenbelasting, ingevoerd door een ordonnantie van 1 Juni 1920, voorziet een belasting op de inkomsten van roerende kapitalen, belegd in vennootschappen op aandeelen, die hun bedrijf in K. uitoefenen, alsmede op alle beroepsinkomsten in K. gewonnen.

Tevens wordt een patentrecht geëischt van de kramers en van de handelsreizigers, welke geen vaste inrichting in K. bezitten. Daar menige vennootschap, in K. werkzaam, haar maatschappelijken zetel in België gevestigd had, wat tot moeilijkheden aanleiding gaf, heeft een wet van 21 Juni 1927 voor deze vennootschappen een enkele belasting ingevoerd, waarvan de opbrengst tusschen moederland en K. verdeeld wordt. ➝Begrooting.

Lit. Offic. uitg.: Ambtelijk Blad van den Belg. Congo (Fr. en Ned., Brussel); Bestuurlijk Blad van Belg. Congo (Fr. en Ned., Leopoldstad); Recueil Mensuel des circulaires, instructions et ordres de service (Fr., Leopoldstad) ; Compte rendu analytique des séances du Conseil Colonial (Fr., Brussel); Jaarlijksch Verslag over het beheer der Kolonie Belgisch-Congo(Fr. en Ned., Brussel). Niet offic. uitg.: O. Louwers, Codes et Lois du Congo belge (Brussel 1934); Revue mens. de doctrine et de jurisprudence cong. (Brussel); Revue jurid. du Congo Belge (Elisabethstad); A.

Sohier, Répert. de la jurisprudence cong. (Elisabethstad 1929); M. Halewyck, La Charte coloniale. Comment. de la loi du 18 oct. 1908 sur le gouvern. du Congo belge (3 dln. en suppl., Brussel 1910-1919); Les Novelles. Droit Colon. (I Brussel 1932); L’essor écon. Belge. Expansion colon. (2 dln.

Brussel 1932, talrijke bijdr. over de wetgeving); Ch. De Lannoy, L’Organis. colon. belge (Brussel 1913). De Mûelenaere

L) Financiewezen

De grondbeginselen, die het financiewezen van Belgisch-Kongo beheerschen, zijn in de Koloniale Keure aangegeven. Na in art. 1 te hebben bepaald, dat de kolonie een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid vormt, wordt hier in het bijzonder onderlijnd, dat actief en passief der kolonie gansch van actief en passief van het moederland gescheiden zijn. Om echter aan dit laatste voldoende medezeggenschap in koloniale aangelegenheden te verzekeren, heeft de wetgever zich voorbehouden te beslissen over de begrooting van ontvangsten en uitgaven, de afrekening van ontvangsten en uitgaven, het aangaan van leeningen, en in zekere mate het verleenen van vergunningen en afstaan van staatsdomeinen.

Ten gevolge hiervan legt de minister van Koloniën aan de wetgevende Kamers drie begrootingen voor. De koloniale begrooting omvat alle ontvangsten te innen voor de kolonie, en alle uitgaven, gewone of buitengewone, te doen voor de kolonie zelve. De metropolitane begrooting voorziet de uitgaven van het ministerie van Koloniën en van verschillende koloniale instellingen in België gevestigd. Zij is onder alle opzichten een Belgische begrooting en als dusdanig onderworpen aan dezelfde regels en bepalingen als de andere Belgische begrootingen. De „begrooting voor order” voorziet ontvangsten, die de kolonie doet om ze aan derde personen over te maken, en uitgaven, die niets anders zijn dan het overhandigen dier ontvangsten aan de belanghebbenden. Zij is een koloniale begrooting en valt als dusdanig onder de regels door de koloniale wet voorgeschreven. Het stemmen over de begrooting is de voornaamste waarborg der onafhankelijkheid van het parlement en van zijn overwicht op de uitvoerende macht.

Is de begrooting slechts een raming der ontvangsten en uitgaven, de rekening is een opsomming van hetgeen werkelijk ontvangen en uitgegeven is. Het Rekenhof is geroepen om na te zien of de in rekening gebrachte ontvangsten overeenstemmen met die, welke binnengekomen zijn, of de in rekening gebrachte uitgaven in werkelijkheid zijn geschied, of de credieten niet overschreden zijn, of de overschrijvingen en aanvullende uitgaven de goedkeuring der wet verworven hebben. Het Rekenhof eischt van het ministerie van Koloniën al de stukken en inlichtingen noodig voor zijn werk. Na het onderzoek wordt de rekening van ontvangsten en uitgaven, aangevuld met de opmerkingen van het Rekenhof, aan de wetgevende Kamers ter goedkeuring voorgelegd.

De bijzonderste bronnen van inkomen zijn de belastingen en de koloniale staatsportefeuille.

M) Onderwijs.

Aan het onderwijs voor Inlandsche kinderen liggen hoofdzakelijk vier groote beginselen ten grondslag:

a) Het accent valt allereerst op de sociale functie van het onderwijs. Slechts wanneer het Negerkind in de school die kennis heeft opgedaan, die het in zijn eigen sociaal milieu tot een meer menschwaardig bestaan bekwaamt, zal men mogen getuigen dat het schoolbezoek hem een zegen is geweest. Het komt er dus allerminst op aan het analphabetisme uit te roeien. De school heeft er meer te zijn dan een instelling, waar men leert lezen, schrijven en rekenen. Zij verspreide vooral de eerste beginselen van een gezond geestelijk en lichamelijk leven, de eerste begrippen van landbouw, veeteelt, kunsten en ambachten, al naargelang de streek, waar zij haar beschavenden invloed heeft uit te oefenen.
b) De school geve bovendien meer karaktervorming dan geestesvoedsel. Het is immers een algemeen verschijnsel, dat bij de Zwarten kennis en geleerdheid zich maar al te dikwijls keeren tegen de inheemsche maatschappij, met haar innerlijke tucht en voorschriften. Een gevolg hiervan is, dat velen van hun sociaal milieu vervreemden en als ontwortelden leven zonder eenig zedelijk houvast. Het is de taak van het onderwijs het schoolkind zoo te ontwikkelen, dat de geestelijke band, die het aan zijn volk samensnoert, niet worde verbroken. Slechts de Christelijke zedenleer bezit de opvoedende kracht den verstandelijk ontwikkelden Inlander zoo te leiden, dat hij, in de plaats van een hooghartig misprijzen, met geest en ziel, intellect en aanleg, in den dienst komt te staan van zijn eigen volk.
c) Het is duidelijk, dat dientengevolge de onderwijsinrichting op een intense samenwerking met de missie is aangewezen, en
d) dat voor zulk een opgezet volksonderwijs slechts de volkstaal past.

Het onderwijs voor Inlandsche kinderen kan worden ingedeeld in

a) officieele scholen, ingericht op initiatief der regeering, welke hiervan dan ook alle lasten draagt;
b) vrije gesubsidieerde scholen, ingericht door private ondernemingen, in feite de nationale missies, op aanvraag en met financieelen steun der overheid;
c) vrije, niet gesubsidieerde scholen, ingericht zonder eenige regeeringstusschenkomst.

Van organisatorisch standpunt uit zijn twee schooltypen aan te stippen: lagere scholen en middelbare scholen. De lagere scholen van den eersten graad (twee studiejaren) brengen het onderwijs binnen het bereik der meest afgelegen dorpen uit het binnenland; vandaar de benaming „landelijke scholen”. De onderwijzer alhier is een Inlander; zijn onderricht is aan regelmatige inspectie onderworpen. De landelijke scholen zijn als kweekbedden, waaruit de beste elementen naar de centrale scholen worden gezonden. Deze vormen het lager onderwijs van den tweeden graad (drie studiejaren), dat meestal op centrale missieposten of in stedelijke centra wordt gegeven. Specialisatie begint in de middelbare scholen onder een der volgende vormen: normaalscholen, scholen voor candidaatklerken, vakscholen.

In beginsel worden slechts opgenomen leerlingen, die den heelen cyclus van het lager onderwijs met vrucht hebben doorgemaakt. Drie studiejaren zijn hier voorzien.

Het onderwijs voor Europeesche kinderen heeft vooralsnog met ernstige moeilijkheden te kampen, waaronder, naast het afmattend klimaat, vooral de veranderlijkheid en de ongelijksoortigheid der schoolbevolking aan te stippen zijn. In de voornaamste centra is niettemin een onderwijs voor jongens en meisjes opgericht. De schoolprogramma’s zijn zooveel mogelijk naar die uit het moederland samengesteld.

Lit.: Ed. De Jonghe, L’Enseignement des Indigènes au Congo Belge (Institut Colonial International, 1931); Jaarl. Verslagen over het Beheer der Kolonie.

N) Inboorlingenpolitiek.

Deze bewandelt den gulden middelweg tusschen twee strekkingen, die in haar absoluten vorm onaanneembaar zijn, nl. assimilatie en protectoraat. Haar grondslagen zijn te vinden in de internationale akten en in de Koloniale Keure. Deze richten het koloniaal beleid, vnl. op staatkundig, maatschappelijk en economisch gebied, naar de belangen en de opvoeding der inheemsche bevolking. In gevolge hiervan zullen alle wetgevende en bestuurlijke maatregelen zich aan dezelfde beginselen moeten inspireeren.

De inboorlingenpolitiek van Belgisch-Kongo eerbiedigt de inlandsche gebruiken niet als een doel op zich zelf, maar als een middel om vlugger en doelmatiger het beschavingswerk te verwezenlijken. Aldus stuurt zij aan op de onmiddellijke of progressieve afschaffing van sommige gewoonten, die tegenstrijdig zijn met de openbare orde, zooals de slavenhandel en de veelwijverij, terwijl zij anderzijds tracht het goede en het bruikbare in de inlandsche gemeenschappen te benutten. In dezen geest werden de traditioneele kaders van het inlandsche gezag bewaard. De hoofdij is een zuiver traditioneele groepeering, welke, onder hooger genoemd voorbehoud, ten volle op de gebruikelijke instellingen berust, en als dusdanig door de overheid is erkend. De sector is slechts semi-traditioneel. Kunstmatig gevormd door het beheer, wanneer verschillende groepeeringen te zwak zijn om zich elk afzonderlijk verder te ontwikkelen, wordt hier niettemin in de mate van het mogelijke het gewoonterecht der respectieve groepeeringen geëerbiedigd.

De extra-gebruikelijke groepeeringen zijn vooral naast de groot-steden te vinden, waar Inlanders afkomstig uit alle streken der kolonie, buiten alle gewoonterecht om, in de grootste verscheidenheid leven. Een speciale organisatie is hier voorzien. In de rangorde der bestuurlijke hiërarchie staan hoof dijen, sectors en extra-gebruikelijke groepeeringen onderaan. De Cleene.

O) Sociale werken.

Door het Verdrag van Berlijn nam België de verplichting op zich het geestelijk en stoffelijk welzijn der Inlanders te bevorderen. In gevolge hiervan zijn de sociale werken in K. zeer uitgebreid. Het budget van volksgezondheid alléén vergt jaarlijks de gansche opbrengst van de inlandsche belasting. Bovendien is gansch het werk van Missie en Zending er op gericht de inlandsche maatschappij tot een hooger menschelijk peil op te voeren. Ook de private ondernemingen, als groothandel en grootnijverheid, dragen er het hare toe bij om dezen algemeenen ontwikkelingsgang te bevorderen.

Op lichamelijk gebied teisteren allerlei epidemische en endemische ziekten, zooals pian, melaatschheid, slaapziekte enz., onafgebroken de bevolking. Slechts na grondig onderzoek en studie kon men hiertegen ten strijde trekken. Weldra echter kwam een net van maatschappelijke instellingen tot stand (hospitalen, dispensaria, sanitaire opsporingsbrigaden van staat, missie en private ondernemingen), dat jaar aan jaar steeds nauwer aansluiting vond. Ook de wetensch. instituten, de universiteiten, de weldadigheidsinrichtingen uit het moederland helpen mede om den aangevangen strijd tot een goed einde te brengen.

Men kon zich echter niet beperken tot de verzorging der zieken. Ook de levensvoorwaarden der Inlanders moeten worden verbeterd. Hoofdzakelijk hygiëne en voeding dienen verzorgd: vandaar moederhuizen, werk voor zuigelingen, mutualiteiten, coöperatieven, enz. Hier raakt men een der brandpunten van de Belg. koloniale overheidszorg, nl. het scheppen van een inlandschen boerenstand. Dit probleem houdt heden ten dage voorzeker meer verband met den maatschappelijken opbouw dan met de economie. Zijn verwezenlijking immers veronderstelt op allerlei gebied een diepgaande verandering in de inheemsche samenleving. Monheim

P) Kerkelijke indeeling.

Belgisch-Kongo is een missieland, d.w.z. een land, waar de kerkelijke hiërarchie nog niet bestaat en dat, zoolang dit noodig is, bestuurd wordt door apost. vicarissen en prefecten, welke afhangen van de H. Congregatie de Propaganda Fide, te Rome. Tegenwoordig (1936) is Belg.-Kongo (met Roeanda-Oeroendi) verdeeld in 26 kerkelijke afdeelingen, nl. 20 apost. vicariaten, 4 apost. prefecturen en 2 zelfstandige missiegebieden. Onderstaande tabel geeft een duidelijk en volledig beeld van deze indeeling.

Missiegebied Opge richt Bediend door Verheven tot Boven-Kongo 1880 Witte Paters vicariaat 1895 Kivoe 1906 Witte Paters vicariaat 1930 Albert-meer 1911 Witte Paters vicariaat 1933 Roeanda 1900 Witte Paters vicariaat 1922 Oeroendi 1896 Witte Paters vicariaat 1922 Boma Nieuw-Antwer1888 Scheut vicariaat 1934 pen 1889 Scheut vicariaat 1919 Boven-Kasai 1891 Scheut vicariaat 1917 Leopoldstad 1899 Scheut vicariaat 1919 Kisantoe 1893 Jezuïeten vicariaat 1931 Kwango 1901 Jezuïeten vicariaat 1928 Coquilhatstad 1894 Miss. v. h.

H. Hart vicariaat 1932

Stanley-Falls 1897 Priesters v.h. H. Hart vicariaat 1908 Boeta 1898 Norbertijnen vicariaat 1924 Matadi 1899 Redemptoristen vicariaat 1930 Basankoesoe 1905 Mill-Hill prefect. 1926 Missiegebied Opgericht Bediend door Verheven tot Noord-Katanga 1907 Paters v. d. H. Geest vicariaat 1935 Katanga Oebangi Boven1910 Benedictijnen vicariaat 1932

1910 Capucijnen vicariaat 1935

Loeapoela 1911 Salezianen prefect. 1925 Niangara Loeloea 1911 Dominicanen vicariaat 1924 Katanga 1920 Franciscanen vicariaat 1934 Bondo 1920 Kruisheeren prefect. 1926 Bikoro 1925 Lazaristen zelfstandige missie 1930 Beni 1929 Assumptionisten zelfstandige missie 1934 Tsjoembe 1931 Passionisten prefect. 1936 Sankoeroe 1929 Josephiten afhangend van Boven-Kasai Dekese 1931 Picpussen afhangend van Leopoldstad afhangendvan Kwango Oost-Kwango 1931 Oblaten van Maria Lomami 1933 Montfortanen afhangendvan N. Antwerpen Te Rome worden alle aangelegenheden, welke de missies betreffen, in naam van den paus door de H. Congregatie de Propaganda Fide behandeld. In K. zelf echter heeft de H. Stoel een rechtstreekschen vertegenwoordiger bij de missies. Deze heeft den titel van apost. afgevaardigde (thans, in 1936, mgr.

G. Delle Piane). Hij verblijft te Kalina (Leopoldstad). Onder zijn voorzitterschap werden in 1932 en 1936 twee voltallige synodes der kerkelijke overheden van K. gecelebreerd en op zijn initiatief het Eucharistisch Congres te Kisantoe gehouden (Aug. 1933).

Het missiepersoneel in K. bestaat uit priestersmissionarissen (22 congregaties), broeders (6 congr.) en kloosterzusters (52 congr.), ongerekend de landsgeestelijkheid en de congregaties van Inlandsche broeders en zusters.

Verhouding der Missies tot het Belgisch bestuur. Deze wordt bepaald door de Akte van Berlijn van 1885 (vervangen door de overeenkomst van St. Germain-en-Laye, 1919), het concordaat tusschen Leopold II en mgr. Vico, nuntius te Brussel (1906), de Koloniale Keure (1908) en de overeenkomst van 1926 tusschen het landsbestuur en de nationale missies. Door al deze zijn gewaarborgd: a) de vrijheid van godsdienst, van godsdienstverspreiding, van kerkelijk bestuur, enz.; b) bescherming en begunstiging van het missiewerk door kostelooze grondvergunningen, zedelijken steun, rechtspersoonlijkheid der missies (decreet van 28 Dec. 1888), en der godsdienstige instellingen (decreet van 17 April 1926), enz. Door de overeenkomst van 1926 hebben de nationale missies de taak van het onderwijs op zich genomen, mits zekere vergoedingen voor de lasten in deze. Deze bepalingen gelden ook voor Roeanda en Oeroendi, een mandaatgebied, dat „volgens de wetgeving van het mandaathoudend land zal bestuurd worden” (➝Mandaat-akte; Volkenbondspact).

Lit.: P. Charles S. J., Les missions cath. Statut canonique et civil (L’Essor écon. belge, Brussel 1932); M. Halewijck de Heusch, Les Chartes du Congo et du Ruanda-Urundi; id., A. Michiels en N.

Laude, Notre Colonie (Brussel 1933); Ed. De Jonghe, Les Missions religieuses au Congo belge (Congo 1933). Vanneste.

II. Weermacht.

Tot voor den Wereldoorlog was de weermacht (Force Publique) belast met de bezetting van het grondgebied en met het behoud van de openbare orde in de kolonie, hoewel sedert de oprichting van den onafhankelijken Kongo-staat, naast strafexpedities tegen opstandige inboorlingen, ook gevechten zijn geleverd met het doel weerspannige stammen te onderwerpen en meteen de Belg. invloedssfeer in Midden-Afrika uit te breiden. Op den vooravond van den Wereldoorlog bestond de weermacht uit ca. 17 000 man, Inheemschen en Europeanen, ingedeeld bij een zeker aantal compagnies, verspreid over de vsch. districten. De manschappen-vrijwilligers of dienstplichtigen werden geworven over geheel het grondgebied van de kolonie; ze werden aangevoerd door Europeesche, voor het meerendeel Belgische, officieren en onderofficieren. In Aug. 1914 werd de weermacht heringericht met het oog op de beveiliging van de meest bedreigde grenzen. Derhalve werden drie operatiegroepen samengesteld. Zie over verloop van den oorlog onder III (Gesch.) in dit artikel.

Na den Wereldoorlog werd de weermacht heringericht met het oog op een tweevoudige opdracht: de bezetting en tevens de verdediging van het gebied. De politietroepen zijn thans, zooals voorheen, over de kolonie verdeeld en staan onder het gezag van het territoriaal beheer; de overige troepen werden daarentegen in bepaalde garnizoenen samengebracht. De koloniale weermacht, die thans uitstekend uitgerust is, ressorteert onder den gouverneur-generaal en wordt aangevoerd door een opperofficier met den rang van kolonel. V. Coppenolle.

III Geschiedenis.

A) Profaan
a) Eerste ontdekkingsreizen.

De monding van den Kongostroom, ook Zaïre genaamd, werd in 1482 ontdekt door Diego Cão. De Europeesche bezetting van de 15e tot de 19e eeuw liep niet verder dan de kuststreek. Tusschen de inlandsche opperhoofden en de bezettingstroepen, welke zich in enkele havens en strategische punten gevestigd hadden, werden handelsverdragen gesloten, meestal ten bate der Portugeezen, later, vanaf de 17e e., door Engeland en Nederland. De slavenhandel was het hoofddoel van deze tractaten met de zgn. „koningen van Kongo”.

De eerste wetenschappelijke ontdekkingsreis (captain Tuckey), die echter op een mislukking uitliep, dagteekent van 1816. Eerst omstreeks het midden der 19e eeuw werden uit Noord-Oost en Zuid een aantal ontdekkingsreizen ondernomen, hetzij voor het doen van aardrijkskundige vorschingen (Burton, Speke, Grant), hetzij uit menschlievendheid (Livingstone, Cameron en de leden van den ➝anti-slavernijkruistocht), hetzij uit politieke doeleinden (Brazza en ➝Stanley).

In 1876 had koning Leopold II te Brussel de Conferentie van Aardrijkskunde bijeengeroepen om de ondervindingen en opmerkingen der groote ontdekkingsreizigers, die tot dan toe in verschillende richtingen hadden gewerkt, te confronteeren. Zoo kon een eenheidsfront worden gesticht tot het afschaffen van den slavenhandel en overgegaan worden tot het vormen van een definitieve kennis van Midden-Afrika’s onbekende gewesten. Te dien einde werd de Internationale Afrikaansche Vereeniging gesticht onder voorzitterschap van Leopold II. De Belgische afdeeling ervan zond verschillende expedities langs de Oostkust naar Midden-Afrika. Doch na de reis van Stanley, welke bewezen had, dat de Westkant doelmatiger was, werd door het Comité d’Etudes du Haut Congo een nieuw plan opgemaakt, dat de oevers van den bevaarbaren stroom aan de kust verbond met een karavaanweg. Weldra werd dit Comité omgevormd tot de Internationale Vereeniging van Kongo (➝Association Intern, du Congo), die alle werkzaamheden, zoowel ten Oosten als ten Westen tezamen bracht. Deze organismen waren echter overgangsmiddelen.

In verband met de onverwachte uitbreiding dezer verschillende instellingen diende haar politieke toestand te worden vastgesteld. Er werd een conferentie te ➝Berlijn belegd (1884-’85), welke in een algemeene overeenkomst de verschillende modaliteiten der Europ. bezetting regelde in de ontdekte streken van Midden-Afrika: Kongo- en Nigerbekken. Vrijheid voor handel en scheepvaart, neutraliteit in oorlogsgeval, afschaffing van den slavenhandel, verplichting het lot der inboorlingen te verbeteren zoowel op zedelijk als op materieel gebied, noodwendigheid van werkelijke bezetting om geldig te zijn: zulke waren de verplichtingen aan de bezettende mogendheden opgelegd. Nevens de eigenlijke werkzaamheid van de conferentie, waaraan ook België deelnam, trachtte Leopold II aan de Internationale Vereeniging van Kongo (➝Association Internat. du Congo) een politiek karakter te doen erkennen. Met de te Berlijn vertegenwoordigde landen werden tractaten gesloten, waardoor de Intern. Ver. van Kongo als een bevriende mogendheid werd aangezien.

De nieuwe staat was aldus gesticht en het toetreden tot de conferentie van Berlijn mogelijk geworden. Op 1 Aug. 1885 liet Leopold II aan de mogendheden weten, na hiertoe de toestemming der beide Kamers te hebben bekomen, dat de bezittingen van de Intern. Ver. van Kongo voortaan den Onafhankelijken Kongostaat zouden vormen, en dat hij den titel van Souverein van den Onafh. Kongostaat aangenomen had.

b) Verdere ontdekkingsreizen en exploitatie.

Nu viel het Leopold II te beurt deze landen te doen onderzoeken, te bezetten, te veroveren, de verschillende bronnen van opbrengst ervan te doen bestudeeren. Er volgde een reeks ontdekkingsreizen, waarin zoowel vreemdelingen als Belgen zich heldhaftig gedroegen. Deze verkenningstochten, bezetting van strategische punten, oprichten van posten en residenties, gingen niet steeds met een vreedzame behandeling gepaard. Ten andere, de verbintenissen, te Berlijn alsook op de Conferentie van Brussel (1890) aangegaan, verplichtten de contractanten den slavenhandel te beletten. Leopold II was de eerste om de slavenhandelaars aan te vallen (➝Arabische Veldtochten), zoowel aan de groote meren en den Opperstroom als, later, in het Oosten en het Noorden (➝Batetela). Ten slotte maakten de plannen van Cecil Rhodes met betrekking tot de mijnprovincie van Katanga het noodzakelijk haar volstrekte bezetting te waarborgen op een oogenblik, dat de strijd tegen de Arabieren op het toppunt was.

Om aan deze veelvuldige verplichtingen te kunnen voldoen (hier kwam dan nog de administratieve inrichting bij, welke diende geregeld te worden, alsook de economische ontginning van het land), ontbrak het Leopold II aan geldmiddelen. Het Verdrag van Berlijn, door het vrij verklaren van handel en scheepvaart, belette hem invoerrechten te heffen (de Conferentie van Brussel schorste deze hindernis). De inboorlingen waren behoeftig ; de Europ. handel was nog volop in zijn inrichtingsperiode en de uitgaven overtroffen aanmerkelijk de inkomsten. Lang was het persoonlijk fortuin van Leopold II het Voorn. inkomen voor den Kongostaat; leeningen waren moeilijk en schadelijk. Om dan in die steeds stijgende uitgaven te kunnen voorzien, was Leopold II genoodzaakt de rijkdommen van het land zoo spoedig mogelijk uit te baten, nl. door belastingen in natura. In België en buitenland werd hevig geprotesteerd tegen deze handelwijze, met het onrechtstreeksch gevolg dat de Kongostaat 18 Oct. 1908 door België geannexeerd werd.

Onder voogdij van België gesteld, zag de Kongo de protesten, ten onrechte geheven, vervallen. De administratieve hervormingen behelsden: de afschaffing der econ. staatsorganismen (regieën), der belastingen in natura, uitbreiding der private instellingen, verwezenlijking van een eerste toerustingsplan, vermeerdering der sociale en menschlievende werken.

c) De Wereldoorlog.

De uitvoering hiervan werd tijdelijk geschorst door den Wereldoorlog. De Kongoleesche Openbare Macht, slechts 15 000 man sterk, moet in de eerste plaats de orde handhaven. Toen in Aug. 1914 de koloniale grenzen door de Duitschers werden aangevallen, diende men eerst een voorzichtige defensieve houding te bewaren. Een kleine vloot en watervliegtuigen werden opgesteld op het Tanganjika-meer. 15 000 inboorlingen, als soldaten uitgerust, met een veel grooter getal dragers, ondernamen onder bevel van Belg. officieren en in samenwerking met de Eng. troepen den veldtocht naar Tabora, met generaal Tombeur aan het hoofd. Op 19 Sept. 1916 rukten zij Tabora binnen, nog voordat de Eng. troepen zich bij hen hadden gevoegd. Zoo werd Tombeur verhinderd den vijand na te zetten, die onder bevel van von Lettow-Vorbeck en Wintgens hevigen weerstand bood.

Nauwelijks was het Kongol. leger in 1917 in Kongo teruggekeerd, of de Duitschers vielen opnieuw de Eng. posten aan, en deze moesten wederom een beroep doen op de Kongol. Openbare Macht. Dit was de veldtocht van 1917-’18 onder generaal Huyghe. Het voornaamste feit was de val van Mahenge (9 Oct. 1917). Kongol. strijdmachten landden ook in Kilwa, op de kust van den Indischen Oceaan, en verplichtten Wintgens zich terug te trekken naar Mozambique, waar de wapenstilstand hem onoverwonnen vond, zooals von Lettow-Vorbeck in de streek van Abercorn.

De uitslag dezer veldtochten werd neergelegd in het Verdrag van Saint-Germain-en-Laye (10 Sept. 1919), waardoor het Verdrag van Berlijn en de Acte van Brussel werden herzien. Een mandaat werd aan België toegekend over twee gewesten van het vroegere Duitsch-Oost-Afrika: Roeanda en Oeroendi.

Nadere organisatie na den Wereldoorlog. De oorlog had alle inkomsten en geldmiddelen van België opgeslorpt. Het uitrustingsplan van de kolonie, uitgewerkt ten gevolge van de reis van kroonprins Albert (1909) en van den eersten minister van Koloniën (H. Renkin), was tijdelijk verlaten geweest om meer dringende noodwendigheden. Onmiddellijk na den oorlog werd het weer opgevat op persoonlijk aandringen van koning Albert. De inkomsten uit de mijnen werden onmiddellijk ten bate genomen en grondiger nagegaan. De uitbating van deze was oorzaak van het aanleggen van belangrijke verkeerswegen (vgl. onder I, sub Handel, in dit art.).

Na eenige jaren zag men de noodzakelijkheid in de producten van den landbouw te bevoordeelen, te meer omdat daardoor de inboorlingen beter van de waarde van hun land konden genieten. Dit werd bevestigd door de bijzondere studiereizen van kroonprins Leopold, eerst naar Kongo, later naar de Fransche, Eng., Portug. en Ned. koloniën van Azië en Afrika. De tegenw. nieuwe richting berust op de organisatie van een algemeen landbouwbeheer, omdat de toekomst verzekerd is aan een kolonie, waar de landbouw op meest doelmatige en economische wijze is aangelegd door samenwerking tusschen de Europeanen en de inlandsche werkkrachten.

Lit.: Bond van het Congol. Aandenken: Gulden Boek der kol. veteranen (Brussel 1932); A. S. Wouters, Hist. polit. du Congo belge (Brussel 1911); Fr. Masoin, Hist. de l’état indépendant du Congo (2 dln. Namen 1913); J.

Leclercq, Formation de l’empire colonial belge (Brussel 1932); Chr. Monheim, Le congo ... Anthologie coloniale (Brussel 1928); Chr. Monheim en H. Kermans, La conquête d’un empire ...., hist. du Congo belge (Brussel 1932).

B) Missiegeschiedenis
a) Eerste missiewerk.

Diego Cão, Portugeesch zeevaarder, ontdekte in 1482 den Zaïrus (Kongo-stroom) en vernam het bestaan van het koninkrijk der Bakongo. Bij een tweede reis van Cão (1485), verklaart Nzinga, koning van Kongo, zich bereid om Christen te worden en zendt afgezanten naar het hof van Portugal, ten einde missionarissen en vakkundigen te verkrijgen. Dit verzoek wordt ingewilligd. In 1491 zetten de eerste Franciscanen voet aan wal te Pinda, en begeven zich naar de hoofdstad Mbanza Kongo of Ambassa.

In den loop der tijden nemen ook leden van andere kloosterorden een actief deel in het bekeeringswerk, o.a. de Jezuïeten (1544), Dominicanen (1570), Carmelieten (1585), Tertiarii van St. Franciscus (1604), Capucijnen (1645), Minderbroeders-Recolletten (1674).

Meerdere namen van Ned. missionarissen in K. zijn ons bekend, bijv. Godefried Francken S.J. uit Den Bosch (♱ 15 Nov. 1654 in K.), Erasmus van Veurne (Gaspard Weyens) (* 1594 te Gent, ♱ 1655) en Joris van ➝ Geel, beide laatsten van de Capucijner Orde.

Ambassa, de hoofdstad van Kongo, wordt Katholiek en heeft in den loop der tijden tot zes kerken, bediend door een twintigtal priesters, Portugeesche en Inlandsche. Een Kongo-koningszoon wordt te Rome bisschop gewijd. Op het platteland worden duizenden gedoopt; doch helaas ontbreekt het den doopelingen zeer dikwijls aan onderricht en aan overtuiging.

b) Tegenslagen.

In 1769 werden de Jezuïeten door de Portugeezen uit K. uitgewezen. In 1834 onderging p. Serafijn, de laatste Capucijner missionaris, hetzelfde lot. Ontelbaar zijn de missionarissen, die hun leven hebben gegeven voor de bekeering van het voormalige Kongo, doch zonder blijvende uitslagen.

c) Hernieuwde pogingen tot missioneering.

Mgr. Barron, apost. vicaris der Twee Guinea’s (heel de Westkust van Afrika, van Senegal af tot aan Kaap de Goede Hoop, met uitzondering van het bisdom Loanda), verkreeg eenige jonge leden der door p. Libermann gestichte Congregatie voor zijn uitgestrekt missieveld (1843). Twee jaren later werd de zielzorg in de Twee Guinea’s toevertrouwd aan deze jeugdige kloostergemeente (waarmede in 1848 de Congregatie van den II. Geest versmolten werd). Mei 1880 werd te Boma een missiepost opgericht en in 1886 werd Nemlao bij Banana door p. Callewaert gesticht.

Ook langs de Westkust van Afrika trachtte mgr. Lavigerie de twee missiegebieden van „Boven-Kongo” te bereiken, echter zonder blijvend gevolg.

d) Definitieve missioneering.

Begin 1878 werd de door kardinaal Lavigerie gestichte Sociëteit der Missionarissen van Afrika (Witte Paters) belast met het bekeeringswerk der door Livingstone, Stanley, enz. ontdekte landstreken van Midden-Afrika. Op 21 April vertrok de eerste karavaan naar de Njanza- en Tanganjika-missies. De missionarissen bestemd voor Tanganjika kwamen Jan. 1879 te Oedjidji aan. Na de streek verkend te hebben, vestigden zich eenige paters bij Roemonge, in Oeroendi (Juli 1879). Van daaruit stichtten dezen in Nov. den missiepost Moelweba, op de Westkust van het Tanganjika-meer. Roemonge werd in 1881 verlaten.

Moelweba werd naar den missiepost Kibanga overgebracht. Het missiegebied der Witte Paters, ten W. van het Tanganjika-meer (Boven-Kongo) werd provicariaat in 1885. Doch ook Kibanga moest overgebracht naar een gezonder en rustiger oord, nl. Boudewijnstad, door p. Roelens in 1893 gesticht. In 1885 had kapitein Storms aan de Witte Paters den door hem gestichten post Mpala afgestaan.

Mpala en Boudewijnstad vormden de kern van het apost. vicariaat Boven-Kongo (opgericht 30 Maart 1895), dat zich sedertdien prachtig ontwikkeld heeft. In 1895 vestigden zich vier Zusters-Missionarissen van O.L.Vr. van Afrika (Witte Zusters) te Boudewijnstad. Dezen helpen er de Witte Patere in de verschillende bedieningen van het apostolaat. In 1930 werd de Kiwoe-streek van Boven-Kongo afgescheiden en tot een afzonderlijk apost. vicariaat ingericht.

Op aanvraag van koning Leopold II was door apostolische breve van 11 Mei 1888 het apost. vicariaat van Belg.-Kongo geschapen en aan de Belg. missiecongregatie van het Onbevlekt Hart van Maria (Scheut) toevertrouwd. Dit vicariaat omvatte heel den Kongo-staat, met uitzondering van het missiegebied der Witte Paters, in het O. van den Kongo gelegen. 25 Aug. 1888 vertrokken vier missionarissen van Scheut naar K. Een eerste missiepost werd gesticht te Kwamouth (➝ Berghe Ste. Maria), gevolgd door Nieuw-Antwerpen (1889) en Loeloeaburg (1891).

In Juni 1896 werd p. Van Ronslé apost. vicaris van Belgisch-Kongo. In 1899 werd de eerste missiepost in Majoembe, te Kangoe (Moll Ste. Maria) gesticht. Hetzelfde jaar kreeg ook Leopoldstad zijn missionarissen.

In 1901 werd Boven-Kasai missiegebied. In 1904 wordt het een apost. prefectuur en in 1917 een apost. vicariaat.

Op 3 April 1919 hield het apost. vicariaat van Belg.-Kongo op te bestaan, daar het verder verdeeld werd in twee apost. vicariaten, nl. dat van Leopoldstad en dat van Nieuw-Antwerpen. In 1934 werd de Majoembestreek van het apost. vicariaat Leopoldstad afgescheiden en tot apost. vicariaat van Boma opgericht. Over de huidige kerkelijke indeeling, zie in dit artikel, sub IP.

In Jan. 1892 betraden de eerste kloosterzusters den Kongoleeschen bodem. Het waren zes Zusters der Liefde van Jesus en Maria, van Gent. Te Moanda, bij Banana, stichtten ze een weeshuis voor Negermeisjes. De eerste broeders, die hulp boden bij het onderwijs in K., waren de Broeders der Christelijke Scholen. Vijf van die broeders vertrokken 16 Sept. 1909 naar Boma om daar het bestuur der schoolkolonie over te nemen.

Toen de Kongo-staat in 1891 de bezetting van de Kwango-streek had verwezenlijkt, verlangde de souverein missionarissen voor dit nieuwe grondgebied. De Jezuïeten namen de taak op zich. Op 5 Maart 1893 gingen twee paters en een broeder te Antwerpen scheep. Gesticht werden achtereenvolgens Kibangoe, Kimoeënza, Bergeyck-St. Ignatius (Kisantoe). De zgn. schoolkapellen verbeterden den stoffelijken welstand der Inlanders en verspreidden de kennis en den invloed van den Kath. godsdienst.

In 1902 wordt de Kwango-missie tot den rang van apost. prefectuur en in 1928 tot dien van apost. vicariaat verheven. Het apost. vicariaat Kisantoe wordt er in 1931 van afgescheiden. Sedert 1894 staan de Zusters van O.L.Vrouw van Namen de Jezuïeten bij in het missiewerk.

Onmetelijk mag het grondgebied van K. worden geheeten. Daarom is het niet te verwonderen, dat door Leopold II en later door het koloniaal bestuur telkens wederom nieuwe werkkrachten voor de geestelijke beschaving van K. werden aangevraagd en dat kloostergemeenten van allen aard aan de bekeering van K. medewerkten. Vandaar ook dat het missieveld steeds verder werd verdeeld. Hier volgt de lijst der missiewerkers, volgens tijdorde hunner aankomst in Kongo: Priesters van het bisdom Gent, 1891; Trappisten van Westmalle (Evenaarsstreek), 1894; Priesters van het H. Hart van Jesus (Stanleyfalls), 1897; Norbertijnen van Tongerloo (Oeële), 1898; Redemptoristen (Matadi), 1899; Paters van Mill-Hill (Basankoesoe), 1905; Paters van den H. Geest (Noord-Katanga), 1907; Benedictijnen van Lophem (Katanga), 1910; Capucijnen (Óebangi), 1910; Dominicanen (Njangara), 1911; Salezianen van Don Bosco (Boven-Loeapoela), 1911; Minderbroeders-Franciscanen (Loeloea-Katanga), 1920; Kruisheeren (Bondo), 1920; Missionarissen van het H. Hart (Coquilhatstad), 1924; Lazaristen (Bikoro), 1925; Assumptionisten (Beni) en Josephiten (Sankoeroe), 1929; Oblaten van Maria (Kwango), Passionisten (Tsjoembe) en Picpussen (Dekese), 1931; Montfortanen (1933).

Bij deze lijst zijn niet de broeder- en zustercongregaties toegevoegd, welke vooral in de laatste jaren talrijk naar K. zijn vertrokken. Toch blijven overgroote streken nog steeds onbezet. Sedert den Wereldoorlog is het Kongol. missieveld nog aanzienlijk aangegroeid door het toekennen aan België der dichtbevolkte mandaatgebieden Roeanda en Oeroendi [zie onder III A (Prof. gesch.) in dit art.].

e) Algemeene beoordeeling.

Vele zijn de hinderpalen en moeilijkheden geweest, die het missiewerk in K. gedwarsboomd hebben, bijv. de slavenjachten der Mohamm. Arabieren en hun proselytisme onder de Zwarten; de slaapziekte, welke zeer veel slachtoffers maakte; de moderne tijdgeest, die meer uit was op financieele voordeelen dan op beschavingswerk; de afgunst van staatsbedienden en beambten van maatschappijen, enz. op den invloed der missionarissen; de werking der Prot. zendingen; de tegenwerking van het anti-clericalisme in K. en in het moederland.

Doch daartegenover staan als voordeelige factoren de bescherming, welke de missies en de missionarissen steeds genoten vanwege de bezettende macht; de immer onverzwakte waardeering t.o.v. het missiewerk vanwege Leopold II, zijn opvolgers en de hoogere ambtenaren in België en in Kongo; een wetgeving, die steeds de barbaarschheid en de onzedelijkheid van het heidendom bekampte en overal vrede en orde trachtte te doen heerschen; de koloniale politiek van België, welke positief gunstig staat tegenover de missie, die in haar opvoedend en caritatief werk door den Staat ook financieel wordt gesteund.

Thans, na 56 jaren bestaan, is Belg.-Kongo een der vruchtbaarste missiegebieden der Kerk. Het missiewerk aldaar trekt aller aandacht, staat in het middelpunt van aller sympathie, verwondert en verheugt door zijn massalen vooruitgang en wettigt voor de toekomst de hoogste verwachtingen door zijn methodische organisatie. Van Juni 1934 tot Juni 1935 alleen boekten de Kath. missies in K. een aangroei van 167 608 gedoopten en 40 173 catechumenen.

Missiemethoden. In alle missies wordt den catechumenen een lange voorbereiding tot het doopsel en een degelijke vorming tot een Christelijk leven opgelegd. Profaan onderwijs en ontwikkeling gaan samen met het catechumenaat. Eenmaal gedoopt, worden de Christenen niet aan zichzelven overgelaten. Op gestelde tijden worden ze naar den missiepost teruggeroepen of in hun eigen dorpen door den missionaris bezocht om de H. Sacramenten te ontvangen; godsdienstonderricht en goede raad, aangepast aan iederen levensstaat, worden hun bij gelegenheid verstrekt. Waar dit mogelijk is, zorgt de missie er voor meer stoffelijken welstand te brengen onder de Christenen.

Een voorname plaats in de bedrijvigheid der missie neemt ook de ziekenzorg in. Dit is vooral de taak der zustercongregaties (in 1936: 52 in getal), die de missionarissen op den voet volgen. Was in den beginne de missiewerking der Witte Paters, der Paters van Scheut en der Jezuïeten noodgedwongen beperkt tot vrijgekochte slaven, bevrijde kinderen, weeskinderen en pupillen van den Staat, zoodra dit mogelijk was werd ook aan volwassenen in hun eigen midden de godsdienst aangeleerd. Noodzakelijkerwijze gaat tot nu toe nog altijd de werking van den missionaris in hoofdzaak tot de heidensche massa. Doch ook de leeken worden stilaan gevormd tot het voeren van Kath. actie.

Aan het onderwijs der jeugd werd bijzondere aandacht gewijd, mede door de krachtige medewerking van de koloniale overheid; lagere scholen bestaan er reeds met honderden; scholen voor catechisten en onderwijzers in alle missiegebieden; vakscholen enz. in de voornaamste centra. Hierin vooral maken de broedercongregaties zich verdienstelijk: Broeders der Christelijke scholen (sedert 1909), Broeders van Liefde van Gent (1910), Broeders Maristen (1911), Broeders van S. Gabriël (1928), Broeders van Oostakker (1929), Broeders Xaverianen (1931).

Een nieuw tijdstip is ingetreden voor de missioneering in Kongo. Door de missionarissen werd al vroeg aangestuurd op het vormen van Inlandsche priesters. De eerste pogingen in die richting werden gedaan door monseigneur Hirth (Roeanda) in 1893 en mgr. Huys (Boven-Kongo) in 1897. De eerste Inl. priesters werden in Roeanda en in Boven-Kongo in 1917 gewijd. Thans telt de Inl. clerus reeds een vijftigtal priesters, die, buiten andere bedieningen, een tiental parochies in Roeanda, Oeroendi en Boven-Kongo besturen. Een begin is aldus gemaakt met de kerkelijke hiërarchie in K. en het Zwarte ras begint Statistiek der Kath. missies in Belg.-Kongo op 30 Juni 1935 (medegedeeld door de Delegatio apostolica te Leopoldstad)

Missiegebied Missie posten Pries ters Broe ders Zus ters Gedoopten Catechu menen Lagere scholen Leer lingen Aantal verzorgde zieken

1. Boven-Kongo . . 8 30 11 32 36.664 54.721 439 27.997 229.969
10 30 10 32 25.784 9.076 63 4.165 243.105
8 32 17 31 34.568 70.908 619 20.273 238.872
20 57 21 51 185.164 146.248 538 25.474 689.951
19 49 10 34 176.076 216.233 793 98.711 1.133.804
7 25 27 55 71.473 45.878 320 10.670 189.241
7. Nw.-Antwerpen 15 56 30 56 104.657 8.720 336 13.832 326.532
23 90 54 87 222.473 123.774 2.413 104.853 353.100
9. Leopoldstad . . . 11 36 26 97 45.377 8.186 60 4.688 698.583
9 30 25 50 62.801 6.861 36 5.172 60.142
17 49 22 80 76.761 51.667 62 7.205 336.113
12. Coquiïhatstad. . 10 30 23 70 49.824 10.054 57 6.635 174.307
13. Stanley-Falls . . 12 41 27 54 37.728 30.287 648 24.115 212.963
14. Boeta 12 35 26 62 30.687 13.690 374 13.175 82.786
12 40 35 72 65.172 13.103 308 12.849 282.352
16. Basankoesoe. . . 11 33 7 17 22.956 12.342 20 1.230 35.900
17. Noord-Katanga. 7 25 10 32 23.897 21.427 291 13.194 123.648
18. Katanga 14 43 17 94 26.488 37.636 639 19.775 25.340
9 27 13 24 35.599 19.521 11 989 240.300
20. Boven-Loeapoela 8 18 29 18 6.680 12.730 47 1.745 21.650
9 37 9 33 20.470 •39.171 473 11.150 489.086
22. Loeloea-Katanga 12 41 15 33 14.342 76.782 582 17.282 235.273
6 17 16 22 11.611 10.149 122 4.623 350.290
24. Bikoro 3 7 4 10 5.447 6.940 5 598 41.509
25. Beni 4 9 1 — 7.047 27.727 106 2.455 29.495
276 887 485 1.136 1.399.626
• 1.072.833 9.262 452.855 6.774.311

een actief deel te nemen in de bekeering ervan. In bijna alle vicariaten ook werd aangestuurd op kloosterroepingen. Hier en daar bestaan thans reeds min of meer bloeiende congregaties van Inlandsche broeders en zusters.

Lit.: C. Van Horenbeeck C. ss. R., Het Heerlijke Missiewerk (Leuven 1934); A. Corman, Annuaire des Missions Cath. au Congo belge (Brussel 1935); D. Rinchon O. M.

C., Les missionnaires belges au Congo (Brussel 1931). IV. Talen.

De meeste Kongoleesche talen behooren tot de groep der ➝ Bantoetalen, d.i. tot de groep der nauw verwante Negertalen, die in het Zuidelijk derde deel van Afrika inheemsch zijn. Alleen in de Noordelijke districten van K. worden niet-Bantoetalen gesproken. De taalgrens, voor zoover men hier niet van een min of meer breede strook met twee of meer taallagen moet gewagen, schommelt van West naar Oost tusschen 4°N. en den evenaar. De Kongoleesche niet-Bantoetalen behooren tot de groep der Soedantalen, der Nilotische en der Nilo-Hamietische talen.

Kongoleesche Soedantalen zijn onder meer: het Mbanza, Ngbandi, Ngbaka (Gbaja), Zande, Barambo, Baledha (Lendoe), Loegbara, Logo en het Baka, die alle boven de taalgrens tusschen 18° en 31°O. worden gesproken. Soedantalen zijn toontalen, d.w.z. talen, waarin de syllabische toonshoogte, die etymologische en grammatische beteekenis kan hebben, een overwegende rol speelt. In deze talen komt een klankgreep als bijv. to zonder meer niet voor, daar elke klankgreep op een bepaalde toonshoogte moet worden uitgesproken. Woorden, die met behulp van dezelfde klanken worden gevormd, doch wier toonshoogte verschilt, zijn, voor zoover het semantische tonen betreft, niet etymologisch verwant, daar de beteekenisdragende toon minstens een even groote kenmerkende eigenschap van het woord is als zijn klankgedaante. Aldus beteekent in het Ngbandi (N.W. hoek van K.) to met lagen toon: weenen; met middelhoogen toon: zingen; met hoogen toon: lans. In deze drie gevallen is to telkens een ander woord. De Soedantalen vertoonen een neiging tot monosyllabisme, de woordstammen bestaan meestal uit een medeklinker en een klinker; de syntaxis heeft den voorrang op de vormleer; grammatisch geslacht is onbekend; kenmerkende phonemen zijn de labiovelare kp en gb; naar alle waarschijnlijkheid zijn in het Ngbandi implosieven voorhanden.

Bij de Nilotische talen, die vnl. in het Z. van Eng.-Egyptisch Soedan inheemsch zijn, sluit het Loer, de taal van de Aloer, aan, en bij de Nilo-Hamietische het Bari (Kakwa), beide in den uitersten N.O. hoek van K. gesproken. Niet-Bantoe-talen zijn ook het Manga, de Mangbetoe-idiomen (Ngbetoe, Medje, Kere, Lele, Popoije, Beiroe, Roembi), de Mamvoe-idiomen (Mvoe, Lese, Bendi, Mboeba, Mboetoe), het Jogo (Majogo), het Bangba en het Moendoe; zij kunnen als overgangstalen worden aangezien (➝ Nilotische talen).

Tegenover al deze niet-Bantoetalen staan de vele Kongoleesche Bantoetalen, die in de eerste plaats affigeerende klassentalen zijn. Alhoewel zij onderling ten nauwste verwant zijn, kan men ze toch in groepen verdeelen. Men onderscheidt:

1° een centrale aequatoriale groep met als hoofdvertegenwoordigers het Nkoendo-Mongo, Ngala, Bangi (Bobangi), Ngombe, Bwa (Baboa), Mbinza, Bali, Lokele, Kuba, Tetela (Nkoetsjoe);
2° een Noord-Westelijke met het Kongo (➝ Kikongo) en Jombe, het Jaka, Pende, Kwese;
3° een Zuid-Oostelijke met het Loeba, Tsjokwe en Songe;
4° een Oostelijke met het Ndaka en het Bira;
5° een Noord-Oostelijke met het Nande, Masji (Njaboengoe), Foelero, het Roeanda en Roendi, deze twee laatste in het mandaatgebied Roeanda-Oeroendi;
6° een Zuid-Oostelijke met het Rega, Tabwa, Bemba, Lala-Lamba.

Het best bekend zijn het Nkoendo, Kongo, Jombe, Loeba. Ten overstaan van de vele Kongoleesche idiomen zijn er stemmen opgegaan om de verspreiding van het Loeba, taal van de Baloeba, als algemeene taal in de hand te werken. Thans reeds wordt het Loeba buiten zijn eigen gebied door tal van niet-Loebastammen in het Kasai-, Sankoeroe- en Loealabadistrict gesproken of verstaan. Het is niet uitgesloten, dat het Loeba (Tsjiloeba) eens de cultuur- en de verkeerstaal in een groot deel van K., vooral van het Zuiden, wordt. Vgl. verder ➝ Bantoe (sub Bantoetalen).

Naast de plaatselijke idiomen zijn er enkele kunstmatige talen ontstaan, die over uitgestrekte gebieden door Blanken en Zwarten in hun onderlinge betrekkingen worden gebruikt. Vooral het ➝ Lingala en Kiswahili-Kingwana (➝ Swahili) moeten hier vermeld worden. Het Lingala, feitelijk een door Europeanen voor het Europ. denken gefatsoeneerd Negeridioom, bestrijkt als lingua franca een groot deel van W. en N. Kongo; het Kiswahili, eigenlijk een nietKongoleesche taal, daar het de taal van Zanzibar en van de Afrik. Oostkustbewoners is, heeft, onder den naam van Kingwana en in een min of meer corrupte gedaante, als verkeerstaal groote verspreiding in O. Kongo gevonden.

In de meeste hier vermelde idiomen is een religieuze en paedagogische literatuur voorhanden, die van jaar tot jaar aangroeit. Vsch. kleine tijdschriften verschijnen in de een of andere inlandsche taal.

Lit.: H. H. Johnston, A Comparative Study of the Bantu and Semi-Bantu Languages (2 dln. Oxford 1919 en 1922); W. H. Stapleton, Compar.

Handb. of Congo Languages (Yakusu 1903); A. Burssens, Het probleem der Kongoleesche niet-Bantoetalen (met taalgrenskaart), in: Kongo-Overzee (I 1934); F. Starr, A Bibliography of Congo Languages (Chicago 1908); Kongo-Overzee, tschr. voor en over Belg. Kongo (Antwerpen 1934).

V. Letterkunde.

De Bantoenegers, Soedannegers, Niloten en Pygmeeën, die de bevolking van Belg. Kongo uitmaken, behooren tot de schriftlooze volken; een letterkunde in Westerschen zin is dus niet voorhanden, wel een gesproken woordkunst, die niet tot dierensprookjes, mythen, legenden, weeklacht en recitatief beperkt blijft, doch ook in het religie-ritueel, in de rechtsprocedure, in den voorschriften- en straffen codex, in het traditioneele complex van bestuur, hiërarchie en gemeenschap haar rol speelt. De verhalen gaan van mond tot mond, van geslacht op geslacht. Het meest geliefkoosde genre is wellicht de dierenfabel, waarin list en verstand het van geweld en domme kracht winnen. In Majombe is Tsese, een vlug hertegeitje, de hoofdpersoon; bij de Baloeba is het Kaboendi, een soort van wezel (?), of Kaboeloekoe, de gazel; bij de Boedja: Angile, de schildpad; in Katanga is het Kaloeloe, de haas; elders een boschmuis, een vleermuis of een ander klein dier; het buit doorgaans de zwakten van zijn grooteren tegenstander (luipaard, olifant, hyena) op sluwe en op de meest cynische wijze uit, maakt hem belachelijk of richt hem meedoogenloos te gronde. Ook de mensch speelt in de fabel een rol; de gierigaard, de dief, de bloodaard e.a. worden gehekeld; voorts treden de wijze, de dwaze en, in komische verhalen, de gek op.

Fantastische wezens en gedrochten zijn het middelpunt van heele reeksen van vertellingen. In geschiedenissen van mythologischen aard en in scheppingsverhalen speelt, behalve zon, maan, sterren en bliksem, het Opperwezen of een niet duidelijk bepaald hooger wezen een belangrijke rol; aldus Mvidi Moekoeloe bij de Baloeba, Kaloenga bij de Toetsjokwe, Ageli bij de Mangbetoe, Kabenzia Mpoengoe bij de Baloeba-Hemba, Nzapa bij de Angbandi. Waarom-verhalen zijn er zeer vele. Naast de producten van de volksfantasie staan de hist. overleveringen en clan-geschiedenissen, waarin o.m. de volksverhuizingen behandeld worden. Duizenden spreuken, spreekwoorden en raadsels zijn in omloop. Tal van sprookjes hebben een moreele strekking (eerbied voor de moeder).

Naar den vorm zijn de volksverhalen kort, niettegenstaande er meestal veel in gebeurt; de feiten volgen elkaar zonder meer op; de subjectieve noot ontbreekt meestal; het vertelsel schijnt slechts uit lijnen te bestaan. De verteller onderstreept zijn woorden met gebaren en mimiek en lascht liederen in, die door de toehoorders worden beantwoord.

In het improvisatie-recitatief (zang) en de doodenweeklacht komen hoogst individueele gevoelens tot uiting.

Lit.: I. Struyf, Uit den Kunstschat der Bakongos (1908); Kongoleesche Vertellingen ( 3 dln. Brugge 1924-’26); L. Bittremieux, Mayombsche Volkskunst (Leuven 1924); L. Frobenius, Dichtkunst der Kassaiden (Jena 1928); A. Burssens, Negerwoordkunst (Antwerpen 1933); G. van Bulck, De invloed van de Westersche cultuur op de gesproken woordkunst bij de Bakongo, in: Kongo-Overzee (II, III 1936). VI. Kunst.

De kunstzin der Inlanders van Belgisch-Kongo blijkt niet alleen uit hun stoffelijke beschaving, hij openbaart zich ook in hooge mate door de gesproken woord-, zang- en danskunst. Nochtans verstaat men doorgaans onder Negerkunst enkel de voortbrengselen der Inlandsche nijverheid, die van een zeker schoonheidsgevoel getuigen, zooals: vlechtwerk, weefsels, producten van hout-, ivoor- en metaalbewerking, vaatwerk enz. Eertijds immers trachtten de Inlanders, vaak uit natuurlijken aanleg, hun dagelijksche gebruiksvoorwerpen een aangenamen vorm en mooie versiering te geven, zoodat huisnijverheid en kunstnijverheid niet steeds gemakkelijk te onderscheiden waren.

Thans echter is de Inlandsche kunst, onder den druk der Europeesche bezetting, aan het verworden. Niet alleen maken de nieuwe economische en maatschappelijke verhoudingen het den kunstzinnigen Inlander meer en meer onmogelijk het eenvoudigste voorwerp tot een product van eigen natuurlijke kunst te stempelen, ook de Inlandsche maatschappij zelf begint zoodanig in haar wezen te veranderen, dat vele oude inspiratiebronnen, zooals vooroudersvereering en geestengeloof, verloren gaan. Hierbij behooren dan nog te worden gerekend de onbetwistbare superioriteit van menig importartikel en de zucht tot navolging van het Europeesche.Door de regeering en door particulieren zijn er deze laatste tijden, in het moederland zoowel als in de kolonie, pogingen aangewend om dit verval tegen te gaan. Hoe edel deze bedoelingen ook mogen zijn, de grootste voorzichtigheid is hierbij geboden. Het gaat niet op, uit een zekere voorliefde voor het uitheemsche, de Kongoleesche maatschappij, die op alle gebieden nieuwe vormen neemt, juist onder oogpunt van kunst onveranderd te willen behouden. Het ware evenzeer ijdele arbeid zich tegen den technischen vooruitgang van zekere huisnijverheid te willen verzetten.

De Inlandsche kunst is dan ook heden het best gediend door alles, wat in haar levensvatbaar is, voor de toekomst te helpen behouden. Dit is vnl. met den buitengewonen rijkdom der ornamentatiekunst het geval.

De Kath. missies gaan beslist dezen weg op. Inlandsche motieven, vormen en kleuren worden reeds in kerken en kapellen aangewend en op sommige liturgische voorwerpen toegepast.

Lit.: J. Maes en J. Lavachery, L’art nègre (Brussel-Parijs 1930); L. van den Bossche, Possibilités chrétiennes de l'art nègre (Le Bulletin des Missions, 1935).