Iep betekenis & definitie

(Ulmus) of olm, boomsoort uit het geslacht der Iepachtigen. Tweeslachtige, kleine, trechtervormige bloemen, met 4-8 slippen, groen tot roodachtig; plat, dubbel gegroefd vruchtbeginsel, in trosjes in de oksels van de vóórjarige bladeren; de bloei vindt plaats, voordat het loof ontspruit.

De bladeren zijn kortgesteeld, onsymmetrisch ellipsvormig, dubbel gezaagdrandig met afvallende schutblaadjes, de knoppen zijn tweedeelig, geschubd en staan scheef op de bladmerken ingeplant. De vrucht is een plat, eenzadig nootje, dat door een netvormig geaderden, aan den top ingesneden vleugel geheel omgeven is.

In W. Europa komen drie soorten in het wild voor: de veldiep (U. campestris), de bergiep (U. montana) en de steeliep (U. effusa). ➝ Iepachtigen.Boschbouw kundig zijn de i., waarvan de veldiep het meest voorkomt, niet van groote beteekenis. Zij vormen zelden zuivere opstanden, doch zijn meest verspreid in loofhoutbosch op vruchtbaren grond te vinden. Als sierboomen, ook bontbladerige, worden vsch. bastaarden gekweekt. Van zeer groot belang voor beplanting van wegen en dijken is de U. hollandica, een bastaard van campestris en montana. Dit is een hoog opgaande forsche boom, die uitstekend werkhout levert. De teelt geschiedt bijna uitsluitend door afleggers, hetgeen de vatbaarheid voor ziekten verhoogt (➝ Iepenspintkever; Iepenziekte).

Sprangers.