Haar betekenis & definitie

Haar - Algemeen. Bijna alle zoogdieren dragen een haarkleed ter bescherming der huid tegen afkoeling, verhitting, bevochtiging, uitdroging of verwonding; de kleur van het h. maakt het dier vaak minder zichtbaar.

H. zijn hoornachtige vormingen der opperhuid, welke (ook bij den mensch) ontstaan op de volgende wijze. De onderste laag of slijmlaag der opperhuid, die uit levende, zich steeds deelende cellen is opgebouwd, groeit naar beneden uit tot een knopje, dat in de lederhuid dringt; daarna vormt deze laatste in dit knopje naar boven toe een papil, waarin een bloedvaatje verloopt.

Dit voert de stoffen aan, waaruit zich nu op de papil het h. ontwikkelt als een staaf van verhoornde cellen,die voortdurend naar boven wordt geschoven; het onderste, zich vormende gedeelte van het h. noemt men haarkiem. Ten slotte komt het h. als haarschacht (haarschaft) uit de huid te voorschijn.

Het in de huid verborgen gedeelte van het haar heet haarwortel; deze bevindt zich in een holte, het haarzakje (haarfollikel), waarvan de wand wordt gevormd door een instulping der opperhuid, de haarscheede. Een h. vertoont van binnen naar buiten drie lagen: merg, schors en buiten laag; merg en schors bevatten meestal pigmentkorrels, die aan het h. de kleur verleenen.

In de haarscheede monden meestal talkklieren, die het haar vet houden; verder staan met de scheede in verbinding gladde spiervezels, die het h. kunnen oprichten („kippevel”; opzetten der rugharen van een kat). De h. staan meestal gegroepeerd in rijen of bundels; een haarbundel ontstaat, als in één haarzakje meerdere haren uitgroeien.

Bij de meeste dieren vindt men korte wolkaren tusschen de gewone haren. Wordt het h. dik, dan spreekt men van borstels (wild zwijn) of stekels (egel, stekelvarken).

Bijz. vormingen zijn de tastharen op de bovenlip van vele dieren, waarbij de scheede voorzien is van een holte met bloed en zenuwuiteinden; als deze beweeglijke tast- of sinusharen aangeraakt worden, komt door middel der zenuwen een tastwaarneming tot stand.Elk h. heeft een beperkten levensduur; een nieuw h. ontstaat, doordat op de oude papil na het uitvallen een nieuwe haarkiem optreedt. De meeste zoogdieren vertoonen een jaarlijksche haarwisseling, het sterkst in het voorjaar (rui); nieuwe wolharen worden dan wel aangelegd, maar groeien pas in den herfst uit, zoodat dan een dikke winterpels ontstaat.

De kleur der haren kan zeer verschillend zijn door verschil in pigment (zwart, rood, wit, bruin). Witte kleur ontstaat door reflectie en diffusie van het licht; echte weerschijnkleuren, door lichtbreking ontstaan, vindt men alleen bij den goudmol. Als afwijking treden bij dieren met gekleurd h. soms witte albinovormen op (fret, witte muis). De haarkleur komt dikwijls overeen met die der omgeving (tijger, ijsbeer); sommige dieren hebben in verband hiermee alleen des uitgevallen hoofdhaar uitblijven, met als gevolg kaalhoofdigheid, die bij alle volkeren is waargenomen.

Er komen bij den mensch drie haarvormen voor: het rechte (lissotriche) h., het golvende (kymotriche) h. en het kroeshaar (ulotriche) h. De doorsnede van een recht h. is ong. cirkelvormig; golvend h. en kroeshaar zijn meer elliptisch op doorsnede; bij kroeshaar is elk haar spiraalvormig gewonden. Deze vormen zijn waarsch. ontstaan door mutatie volgens de lijn recht golvend kroeshaar. Recht h. vindt men vooral bij Mongolen en Europeanen, golvend h. bij Australiërs; golvend en kroeshaar bij Negers en Melanesiërs. De lengte der hoofdharen bedraagt van 2-3 cm (Hottentotten) tot 75 cm (Europeanen), de dikte 0,05-0,15 mm. Baardgroei is het sterkst in Europa, ontbreekt bij Hottentotten, Indianen, Eskimo’s.

De haarkleur is blond, lichtbruin, donkerbruin, zwart of rood. Grijs h. ontstaat door ontbreken van pigment en binnendringen van lucht tusschen de haarcellen; ook albinisme komt voor. De kleur berust op afzonderlijke erffactoren, die zich gedragen vlg. de winters een witten pels (hermelijn). Door verschillende kleuren ontstaat vaak een bepaalde teekening; vaak komt voor een gestreept haarkleed, dat als primitief wordt beschouwd en ook soms optreedt bij jonge dieren (ree, wild zwijn). De kleurschakeeringen der huisdieren zijn grootendeels door kweeken ontstaan. De meeste dieren verzorgen hun haarkleed goed. De h. zijn volgens sommigen morphologisch te vergelijken met de hoornschubben der reptielen, volgens anderen met de huidzintuigen der amphibieën.

Bij den mensch is het haarkleed, vergeleken met dat der zoogdieren, slechts weinig ontwikkeld. Een embryo heeft na 5 maanden een dicht wolhaarkleed (lanugo of primair haarkleed); dit verdwijnt vóór de geboorte. Bij de geboorte draagt de huid een donshaarkleed (secundair haarkleed, kinderbeharing), volgens bepaalde lijnen gerangschikt ; het h. van hoofd, wenkbrauwen en wimpers is dikker en vaak donkerder.

De latere lichaamsbeharing (terminaal haarkleed) vertoont daarnaast nog oksel- en schaamharen; ook treedt een typisch verschil op tusschen het h. van man en vrouw (baard). Haarbos zijn handpalm, voetzool, lippenzoom en de rugzijde der laatste vingerkootjes.

Afwijkingen zijn de overmatige beharing der → haarmenschen en de haarloosheid.

De levensduur van een hoofdhaar bedraagt ca. 4 jaar, van een wimperhaar slechts 100 dagen.

Bij oudere menschen kan hergroei van het wetten van Mendel, waarbij donkerder kleur domineert over lichtere kleur. Rood h. komt bij alle volkeren voor, het meest in N. Europa (meer dan 1,99%). Zie ook → Haardracht; Haarziekten.

Lit.: Ihle e.a., Leerb. der vergelijkende Ontleedkunde van de Vertebraten (I 1924); Handwörterb. der Naturwissenschaften (V 21935). M. Bruna Haren van planten zijn uitgroeiingen van de opperhuid. Zij zijn eencellig, bijv. wortelharen, of meercellig en dan vertakt of onvertakt, bijv. toorts en violier. H. bestaan uit cellen met levenden inhoud of uit doode cellen; in het laatste geval zijn zij gevuld met lucht of zijdelings samengedrukt, zooals de h. van de zaden der katoenplant. Naar hun verschillende functie kan men verschillende soorten van h. onderscheiden. Borstelharen, die door verkalking of verkiezeling van den celwand hard geworden zijn, beschermen sommige planten tegen den beet van dieren, bijv. ruwbladigen.

Klimharen stellen de hop, het kleefkruid en andere planten in staat zich aan een steunsel vast te houden. Wolharen zijn meestal sterk vertakt; zij bestaan veelal uit doode cellen, die met lucht gevuld zijn. Daardoor geven zij aan stengels en bladeren van sommige planten, bijv. toorts, viltkruid en edelweisz, een min of meer wit of grijs, wollig uiterlijk. Zij beschermen de plant tegen te sterke bestraling en verhinderen bovendien in meerdere of mindere mate de verdamping. Zweefharen doen dienst voor de verspreiding van sommige zaden, bijv. van populier en katoenplant. Wortelharen, die vooral aan den top van de wortels worden aangetroffen, nemen water en opgeloste zouten op uit den bodem.

Op sommige meeldraden, bloemblaadjes en bladgewrichten worden h. aangetroffen, waarvan de cellen rijk zijn aan protoplasma en die volgens Haberlandt dienst doen als voelharen voor het opnemen van contactprikkels. Klierdragende h. zijn meestal knotsvormig; zij bestaan uit een steeltje met een of meer kliercellen aan den top, die klierstoffen vormen. Zijn de uitgroeiingen van de opperhuid zeer klein, dan doen zij zich voor als papillen, die een fluweelachtig uiterlijk geven aan de opperhuid, bijv. kroonblaadjes van het viooltje.

Lit.: A. Weisz, Die Pflanzenhaare, in : Karsten, Botan. Untersuchungen (1867). Melsen