Haaien betekenis & definitie

Haaien - (Squalioidei of Squaliformes) vormen met de roggen (Batoidei of Rajiformes) de orde der Selachii van de Elasmobranchii of kraakbeenvisschen (→ Visschen). Het lichaam is slank en rond, de kop eindigt in een vooruitstekenden snuit, waaronder de schuins geplaatste bek ligt, waaraan de h. den naam danken van „dwarsbekken”; de staartvin heeft een typischen assymmetrischen bouw met opwaarts gekromde ruggegraat (heterocerkie); het lichaam is bedekt met beenachtige placold-schubben, die elk een tand dragen en daardoor de huid zeer ruw maken; de talrijke gezaagde tanden in den bek vormen een geducht wapen.

Achter den bek liggen rechts en links de kieuwspleten, waardoor het adem water naar buiten stroomt. De eieren worden afgezet in een hoornachtige schaal en meestal aan waterplanten bevestigd; bij het afzetten is het embryo reeds in ontwikkeling.

Vele h. zijn ook levendbarend. H. komen in alle zeeën voor en worden gevreesd om hun roof- en vraatzucht; slechts een enkele soort voedt zich met plankton (Rhinodon).

De ergste roovers zijn menschenhaai (Carcharias), hamerhaai en reuzenhaai. Op onze kusten komen alleen kleine soorten voor: hondshaai, doornhaai, toonhaai en ruwe haai. M.

Bruna
Fossiel. Vergeleken met het aantal levende soorten is dat der fossiel bekende gering te noemen.

De meeste levende families zijn nog in vollen bloei. Bij bovenstaande indeeling van de Selachii in haaien en roggen, moet men wel bedenken, dat die indeeling van phyllogenetisch standpunt beschouwd niet meer houdbaar is. (Voor de zoölogische gegevens van de roggen, zie aldaar; de paleontologische volgen hieronder.)Van de thans nog levende vormen der Selachii kent men de oudste vertegenwoordigers uit het Onder-Carboon, waarvan nog een vorm in den Stillen Oceaan voorkomt, terwijl ook de Lias van Holzmaden in Baden prachtige resten van deze oude groep heeft opgeleverd. Van de bovengenoemde haaienfamilies kent men de oudste resten uit de Boven-Jura. Vooral fossiele haaientanden zijn in de jongere zee-afzettingen geen zeldzaamheid, o.a. in het Krijt van Zuid-Limburg.

De oudste, uitsluitend als fossiel bekende vorm meent men uit het Devoon van Gemünden in de Eifel te kennen, terwijl men een grooter aantal vormen kent uit het Carboon van Noord-Amerika en uit de Permische Kupferschiefer van Mansfeld in Duitschland. Het zijn meestal bodemdieren en hun verwantschap met de levende S. is moeilijk vast te stellen. Uitgaande van een zwak-pelagische vormenreeks, stelt men zich de ontwikkeling der Selachii wel voor door specialisatie, waarbij zich de h. ontwikkelt tot de zuiver pelagische vormen, de roggen tot zuivere bodemdieren. Oosterbaan