Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-07-2019

Goud

betekenis & definitie

Goud - chemisch element, metaal, atoomgewicht 197,2, rangnummer 79, teeken Au (< Lat. aurum), smeltpunt 1 081°, met koper en zilver een natuurlijke familie vormend, bij de alchemisten „de koning der metalen” en met de zon geassocieerd (teeken [I]Q[/I] ); chemisch zeer indifferent („edel”), weinig stabiele verbindingen vormend, waarin het één- of driewaardig is. G. wordt slechts aangetast door chloor, of door stoffen, welke makkelijk chloor afgeven (→ Koningswater) en door cyaniden in tegenwoordigheid van zuurstof (zie onder Winning, in dit art.).

De in den handel onder den naam „goudchloride” voorkomende stof is óf het goudchloorwaterstofzuur (HAuCl4.3H2O), óf het natriumzout hiervan (NaAuCl4); het eerste wordt gebruikt als reagens op alcaloïden, het tweede in de photographie voor het fixeeren van afdrukken.Over andere goudverbindingen zie → Goudpurper; Knalgoud; Vergulden. G. kan gemakkelijk in colloïde oplossing verkregen worden; in water is deze oplossing (het reeds aan de alchemisten bekende „aurum potabile”) rood of blauw, in glas kleurloos of rood [→ Glas (gekleurd)]. Ook het in de natuurvoorkomende g. was oorspr., en is nog voor een groot deel, colloïd in het magma opgelost. Het kan in het gesteente óf in den kleurloozen vorm optreden en ontsnapt dan dikwijls aan de analyse, óf in den vorm van schubbetjes metaal, vergelijkbaar met het koperaventurijn. Worden deze gesteenten door water geërodeerd, dan gaat het in dit laatste mee over en kan zich vervolgens op allerlei vaste stoffen afzetten. Zoo op reeds aanwezige goudklompen („nuggets”), waarvan men inderdaad gevonden heeft, dat zij in goud-houdend water groeien; verder in het bijz. op een schaapsvacht (d.i. de samenhangende wolmassa, die van een schaap wordt afgeschoren), waardoor de legende van het gulden vlies ontstond. Zernike Goud is ook een der metalen in de heraldiek (in kleur weer te geven door goud of geel, in zwartdruk door puntjes).

Historie. Vanaf de vroegste tijden heeft de mensch g. gekend en om zijn eigenschappen gewaardeerd. De Egyptenaren wennen g. in Nubië, Lydië en Phrygië (Croesus en Midas). Later werd g. gewennen in Corinthië en Macedonië. Het Ophir van David en Salomon schijnt in Z.O. Afrika gelegen te hebben tusschen de Zambesie en Limpopo.

De Romeinen ontgonnen g. in Boven-Italië, Spanje, Z. Frankrijk, Zevenburgen. In de 16e e. werden nieuwe goudlanden ontdekt: Z. Mexico, Columbia, Guyana, Peru en Goudkust. In de 18e e. kwam hierbij Brazilië. Een groote vermeerdering van den goudvoorraad leverde de ontdekking der goudvelden in Califomië en Australië (1848-1850) en later die van Alaska.

De invoering van het cyanideproces (1889) maakte opeens vroeger waardelooze ertsen ontginbaar. In den loop der geschiedenis zijn steeds rijkere goudafzettingen gevonden. Op het eind der vorige eeuw overtrof de Transvaalsche Witwatersrand alles, wat ouder was.

Tegenw. productie. Transvaal is het belangrijkste goudland met van 1920-1930 51% der wereldproductie uit het gebied van Johannesburg.

Van de overige produceerende landen leverden van 1920-1930 de Ver. Staten 12%, Canada 8%, Azië 6%, Afrika (zonder Transvaal) 5½%, Australië 4% en Rusland 3½%. In Ned. Indië wordt primair g. gewonnen in W. Sumatra en vermoedelijk binnenkort op Java. Inlandsche placerontginningen zijn in Borneo en N.

Celebes. In West-Indië heeft Suriname alluviale goudafzettingen. De jaarproductie bedroeg 30 000 ton, wat quantitatief overeenkomt met de uurproductie van een kolenmijn, doch meer is dan de totale wereldgoudvoorraad vóór de ontdekking van Amerika.

Vindplaatsen. G. is een veel voorkomend mineraal; zelfs in zeewater is het opgelost, doch slechts op weinige plaatsen komt het in economisch winbare hoeveelheden voor. Volgens Berg vormt g. 0,000 000 1 van de aardkorst en zilver 0,000 004.

Economisch winbaar g. komt voor in gesteenten of in afbraakproducten van gesteenten, nl. alluviale grinten zandafzettingen („placers”). Het primaire g. komt practisch alleen voor in kwartsgangen, welke ontstaan door neerslag van kiezelzuur uit verhitte oplossingen, welke in gesteentespleten circuleeren. Ze zijn van millimeters tot meters dik. Men vindt deze in allerlei gesteenten en daarin dikwijls sporen gedegen goud, soms met koper, meestal met zilver, doch slechts in enkele gebieden winbaar. → Ertsen. De aanleiding voor het opsporen van primaire ertsen is het vinden van g. in Alluvium. De placers leveren, indien we Transvaal buiten beschouwing laten, ongeveer 20% der wereldproductie.

Het is merkwaardig, dat het ontstaan van de Transvaalsche goudertsen niet geheel opgehelderd is. Zij zitten hier in zeer oude (prae-Cambrische), sterk metamorphe conglomeraatbanken. Sommigen beschouwden deze afzettingen daarom als fossiele, zeer rijke placers, welke later gemetamorphoseerd zijn, doch anderen meenen dat men hier te doen heeft met afzettingen uit verhitte oplossingen, welke juist door de conglomeraatbanken gecirculeerd zouden hebben. Mogelijk hebben beide oorzaken een rol gespeeld.

Winning. De eenvoudigste methode is „slibben”, waarbij door bewegend water het zware goud van het lichtere zand en klei gescheiden wordt. In Indië gebeurt dit met een groot zwart bord (doelang). Goud houdend zand wordt er in het midden opgelegd en, met den rand even boven het niveau van stroomend rivierwater, worden draaiende schommelende bewegingen uitgevoerd, waardoor telkens een weinig van het zand weggevoerd wordt en ten slotte alleen erts-korreltjes overblijven, waarbij een geel goudkorreltje dadelijk opvalt. In Californië werd de waschpan ook gebruikt, doch méér de waschwieg (cradle), een langwerpige bak, met in de lengterichting latten op den bodem en daarboven een zeef, waarop het te verwasschen materiaal gelegd werd. Door de schommelende beweging worden bij toevoer van water de lichtere bestanddeelen weggespoeld.

Meer in gebruik zijn waschgoten. Dit zijn zeer lange goten met op regelmatige afstanden dwarslatten. Het te verwasschen materiaal wordt door een zeef in de waschgoten gespoeld, waarbij het lichte meegevoerd wordt, doch de zwaarste bestanddeelen voor de dwarsrichels blijven liggen.

Deze methode kan direct toegepast worden bij Alluviale placers, doch bij primaire vindplaatsen van g. in gesteenten moeten deze eerst verbrijzeld worden. Met de Mexicaansche „arractra” gebeurde dit door met rollende maalsteenen het gesteente te vergruizen. In Californië is men stampbatterijen gaan toepassen, waarbij draaiende assen (waarop nokken), rijen zware, onderling verbonden stampers optilden en lieten vallen. Aangezien bij het slibben nog altijd veel verliezen optreden, wordt het g. chemisch geëxtraheerd. Dit kan gebeuren door kwikzilver bij het materiaal in de stampbatterijen te voegen, omdat het g. hiermee een amalgaan vormt. Het fijngestampte materiaal wordt met water over zwak hellende geamalgameerde koperplaten gevoerd, waarop zich het goudamalgaan vastzet.

Deze worden van tijd tot tijd afgekrabd; in retorten verdampt het kwik en blijft het g. over. In 1848 werd de chloreeringsmethode van Plattner en Percy toegepast. Deze berust op de oplosbaarheid van g. in chloorgas. Zij is verdrongen door het cyanide-proces van Mac Arthur en Forrest, waardoor de sulfidische ertsen ontginbaar werden. Hierbij wordt het materiaal geroosterd, waardoor de zwavel oxydeert en dan vermalen en in fijner en grover materiaal gescheiden. De grovere „sands” worden met cyaankaliumoplossing uitgedroogd,waarin het g. oplost.

De fijnere slimes moeten hiermee behandeld worden in ketels, waarin het geheel in beweging blijft. Het wordt dan door bakken gevoerd met fijn verdeeld zink, wat de plaats van het g. inneemt, zoodat het goud daaruit neerslaat. Het gevormde goudslik wordt gedroogd en gesmolten, waarbij onzuiverheden als een slak komen bovendrijven, en het g. in staven gegoten.

Aangezien dan het g. nog niet geheel zuiver is, wordt het naar gehalte verhandeld.

Gebruik. Verreweg het meeste g. is in gebruik als betaalmiddel, hetzij als munten, hetzij als bankvoorraad. Dit absorbeert ongeveer 60% der goudproductie. Voor industrieele doeleinden wordt goud gebruikt voor sieraden, horloges, brillen, penhouders, religieuze voorwerpen, door tandartsen, in de photographie, in Japansche goudlak, als bladgoud voor liet vergulden van standbeelden, wat 25% der productie omvat. Ongeveer 15% verdwijnt naar het verre Oosten, waar g. als symbool van rijkdom in particuliere handen is en wordt opgepot. v. Tuijn Economische functie van het goud.

Daar het goud in den loop der eeuwen bewezen heeft van alle econ. goederen de voor → geld noodzakelijke eigenschappen, vooral zijn waardevastheid, in de hoogste mate te bezitten, kwam het het meest in aanmerking om als grondslag voor de muntstelsels dienst te doen. Terwijl in vroeger tijd het goud (eerst ongemunt, later gemunt) vnl. diende als binnenlandsch ruil- en betaalmiddel, beperkt zijn rol zich in den lateren tijd bijna uitsluitend tot de functie van betaalmiddel in het internationale verkeer, t.w. wanneer ongunstige wisselkoersen dit noodzakelijk maken. In landen, waar de bankbiljetten tegen edel metaal inwisselbaar zijn, is het vooral het goud, dat de functie van dekking van het circuleerende papieren geld vervult (→ Circulatiebank). Vorstman Gouda Stad en gem. in de prov. Z. Holland; ca. 31 000 inw., waarvan ong. 8 400 Kath.; gelegen aan de Gouwe en Holl. IJsel en den nieuwen weg Den Haag—Utrecht.

Centrum voor kaashandel en binnenl. koren. Groote kaas- en veemarkt. Belangrijk industriecentrum: kaarsen, pijpen, plateel- en aardewerk, garenspinnerij, zeep, sigaren, bleekerijen, boekdrukkerijen, confectie, houtzagerijen, glucose, siroop, machines, meubelen, papierwaren, suikerwerk en koek en zuivel. Het heeft een Kamer van Koophandel en Fabrieken. Gouda vormt een afzonderlijk dekenaat. Er zijn 3 Kath. kerken (O.L. Vrouw Hemelvaart, St.

Joseph, H. Sacrament). Bovendien een Kath. ziekenhuis. Onderwijs:

gymn. en H.B.S., ambachtsschool. Oud archief. Librye. Bezienswaardigheden: St. Janskerk, stadhuis, de Waag, Museum voor Oudheden, Librye en Archief, oude grachtjes en antieke geveltjes. De stad wordt druk bezocht door vreemdelingen ter bezichtiging der bovengenoemde gebouwen alsmede voor de Reeuwijksche Plassen.

Zie ook → Goudsche glazen. Blaauw Geschiedenis. G. ontstond in de 13e e. om een kasteel der heeren van der Gouwe aan den N. oever van den Holl. IJsel, toen nog een Rijntak, en kreeg 1272 stadsrechten. Spoedig bloeiden er scheepvaart en scheepsbouw, handel (hout, graan, vee), lakenen tapijtweverij, linnenbleekerij en vooral bierbrouwerij. In de 18e e. ontwikkelden zich pijpenfabrieken en pottenbakkerijen, maar gingen de andere industrieën achteruit. Sinds ca. 1650 nam de welvaart af, zeer snel sinds 1750 (bevolkingsgetal 1750: ca. 20 000 ; 1800: ca. 11000).

Eerst na 1850 is G. herleefd als markt voor boter en kaas en als industriestad. De heerlijkheid van der Gouwe is spoedig aan de graven van Holland gekomen, waardoor de stad in den tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten vaak vuistpand der graven, d.i. meestal der Hoekschen, was, bijv. onder Jacoba van Beieren. Aan het begin van den Tachtigjarigen oorlog was G. een vrij aanzienlijke stad; zijn pensionaris had gezag in de Staten van Holland. G. koos Juni 1572 de zijde van den prins, maar bedong vrijheid voor het Katholicisme. De Kath. regenten werden eerst geleidelijk afgezet. In de Staten van Holland was G. vaak opposant, niet ongeneigd tot terugkeer onder Sp. gezag, tegenstander van de beraamde verheffing van Willem van Oranje tot graaf van Holland, daarna gekant tegen het zoeken van steun bij vreemde vorsten, vooral tegen de komst van Leicester, tot wiens heftigste tegenstanders de Goudsche pensionaris Franchois Vranck behoorde.

Met de opkomst van andere steden (bijv. Rotterdam) en met den stoffelijken achteruitgang van G. daalde zijn gezag in de Staten allengs.

De gesch. van het Katholicisme begint buiten de stad in de buurtschap Bloemendaal, waarnaar de parochie ook later nog genoemd wordt. Voor 1275 was G. een kapel rijk, die later parochiekerk werd (S. Janskerk). Het middeleeuwsche G. was zeer rijk aan kapellen, kloosters (voor mannen en voor vrouwen) en gasthuizen. Zeer bekend werd liet huis der Broeders des Gemeenen Levens. In strijd met de voorwaarden van den overgang werd Febr. 1573 de S.

Janskerk aan de Kath. ontnomen en de pastoor verbannen. Overigens bleef de overheid jegens het Katholicisme vrij rekkelijk, zoodat seculiere priesters en Franciscanen, na 1592 ook Jezuïeten, den Kath. eeredienst vrijwel ononderbroken gecontinueerd hebben. Begin 17e e. ontstonden vaste staties; ca. 1640 zijn er vijf: drie seculiere, een van de Jezuïeten, een van de Franciscanen. Twee der seculiere staties vielen begin 18e e. af aan de Oud.-biss. Clerezie (één ervan bestaat nog), de derde leeft voort in de kerk van den deken (Kleiweg, O. L.

V. Hemelvaart). De statie der Jezuïeten werd 1814 vereenigd met de seculiere statie; die van de Franciscanen leeft voort in de S. Jozefkerk (aan de Gouwe) met bijkerk (Tollensstr., H. Sacrament).

Lit. Een moderne gesch. v. G. ontbreekt. Zie: Walvis, Beschr. v. G. (2 dln. 1713); de Lange v. Wijngaarden, Gesch. der stad van der Goude (I 1813, II 1817, III, door Scheltema, 1877); Kluitman, Bekn. beschr. der stad G. (1841); Kesper, Gesch. v. h. gymnasium te G. (1897); Huges, Leven en bedrijf v.

F. Vranck (1909); van Hattum, De patriotten te G. (1934). Voor de gesch. v. d. Kath.: v. d. Loos, in Bijdr. bisd. Haarlem (XLIX, 412 vlg.), Rogier