Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-07-2019

2019-07-22

Godslastering

betekenis & definitie

Godslastering - (Lat. blasphemia)

1° moraal: beschimping Gods; op een smadelijke, beleedigende of spottende wijze van God spreken. Die beschimping kan geschieden door het gesproken of het geschreven woord, maar ook door uitwendige teekenen, zelfs door gedachten. De g. kan rechtstreeks tegen God gericht zijn, wanneer men nl. aan God of den menschgeworden Zoon iets toeschrijft, wat met zijn eer in strijd is of eigenschappen loochent, die aan God toekomen, als Zijn almacht, heiligheid, rechtvaardigheid, voorzienigheid, enz. (bijv. wanneer men beweert, dat God sommige overtredingen te zwaar straft en andere op onvoldoende wijze, dat Hij iemand te veel doet lijden, zich niet om ons bekommert, dat Christus geen God is, niet verrezen is, enz.). Zij kan God ook slechts middellijk treffen, doordat zij rechtstreeks gericht is tegen personen of zaken, welke tot God in bijzondere betrekking staan, als de engelen en de heiligen, de sacramenten en andere genademiddelen, de H. Kerk enz. (als men bijv. beweert, dat Maria niet altijd maagd is gebleven, dat Christus niet tegenwoordig is in het H. Sacrament des Altaars, dat de Biecht aanleiding geeft om vrijer te zondigen).

Om aan g. schuldig te zijn, is het niet vereischt, dat men de bedoeling heeft God te beschimpen; het is voldoende, dat men wetens en willens uitdrukkingen gebruikt, welk een g. inhouden.

De g., als een schennis van Gods opperste majesteit, is in strijd met de deugd van godsdienstigheid en een zware zonde, eenig in boosheid, als zij ten minste wetens en willens, met de noodige opmerkzaamheid en vrijheid geschiedt. Het kan niet geloochend worden, dat gruwelijke g., in den waren zin van het woord, maar al te vaak voorkomen in boeken, dagbladen en andere schriften of uitgesproken worden op vergaderingen. Wanneer men echter sommige menschen, onder den druk van lijden en tegenspoed, al eens hoort uitroepen, dat God hen te zwaar beproeft, dat ze zulk een lot niet verdiend hebben en het hun onrechtvaardig door God overgezonden wordt, dat God zich om hen niet bekommert enz., dan zijn die uitdrukkingen, op zich zelf beschouwd, ware g.; maar zeer vaak zal in zulke gevallen de godslasterende beteekenis niet worden ingezien ofwel worden die woorden onbedachtzaam uitgesproken, als uitingen van ongeduld en opgewondenheid.

In het Ned. spraakgebied komen sommige uitdrukkingen voor, die tot vóór enkele jaren vrij algemeen als g. werden aangezien, zoowel door de godgeleerden als door het volk, maar die naar den eigen zin der woorden niets anders bevatten dan een verwensching van zich zelf, een ijdel gebruik van Gods naam of gedeelten van oude bezweringen en eedsforniulieren. Door toedoen van godgeleerden, vooral van mgr. Waffelaert en prof. Dignant in België en van p. Aertnys in Ned., werd de juiste beteekenis van die formules in het licht gesteld en hun godslasterend karakter ontkend. Het Belg. episcopaat vaardigde in 1903 een verklaring uit, waarin o.m. gezegd wordt: „Vele menschen meenen ten onrechte, dat zij door zeker Ned. gezegde de verdoemenis wenschen aan God, terwijl de woorden„G. v. d.” niets anders bevatten dan een verwensching.

Die woorden beteekenen dus door hen zelven geen g., maar werden eertijds gebruikt als eed met verwensching; en daar deze verwensching meestal niet gemeend is, zal die spreekwijze bijna altijd van doodzonde vrij zijn, alhoewel zij onbetamelijk is en min of meer zondig volgens de omstandigheden”. In denzelfden zin volgde nog een verklaring van het Belg. episcopaat aangaande sommige Fransche uitdrukkingen (1912). Door de eensgezinde actie van de geestelijkheid is thans de verkeerde meening aangaande de godslasterende beteekenis van die uitdrukkingen vrij algemeen uitgeroeid.

Lit. : S. Thomas, Summa theol. (II. II., q. 13); alle moraaltheol. handboeken, vnl.: O. E. Dignant, Tract. de virtute religionis (Brugge 1921, 204 vlg.); PottersKoenraadt, Verklaring v. d. Katech. der Ned. bisd. (IV 31929, 99 vlg.). A. Janssen.

2° Recht.
a) Ned. Recht. Vlg. art. 147 onder 1° W. v. Str. wordt hij, die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderdtwintig gulden. Deze strafbepaling is tot stand gekomen bij de Wet van 4 Nov. 1932 (Stbl. 524).

Deze wet is niet dan na veel strijd tot stand gekomen. Eenerzijds verzetten zich er tegen degenen, die de individualistische gedachte huldigen, dat de Staat zich op het terrein van het godsdienstige te onthouden heeft, vooral betreffende het strafrecht. Anderzijds ging zij naar de overtuiging van geloovige Christenen niet ver genoeg, daar de wet wel de gevoeligheid van godsdienstige personen beschermt, maar niet de eer van God zelf. G. is immers niet op zichzelf strafbaar, indien zij (wat een voor het recht redelijke eisch is) in het openbaar geschiedt, maar er wordt bovendien voor de strafbaarheid vereischt, dat de g. smalend zij en op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze geuit. Daar komt nog bij, dat de straf veel lager is dan die voor beleediging der koningin (art. 111 W. v. Str., ten hoogste vijf jaar gevangenisstraf).

De ontwerper, minister Donner, heeft bewust een middenweg tusschen deze twee opvattingen willen kiezen. In de wet wordt nl. de g. strafbaar gesteld doch slechts onder omstandigheden, die het feit voor de burgers grievend maken. Straffen van openbare g. op zich zelf zou in de huidige verscheurdheid op godsdienstig en cultureel gebied practisch niet door te voeren zijn. Haar te straffen, als zij voor menschen krenkend geuit wordt, demonstreert het interesse, dat de overheid voor den godsdienstzin der burgers heeft, en sluit ook bij andere strafbepalingen (art. 145-147 W. v. Str.) aan. De uitlegging van het art. stuit ook thans nog op ernstige moeilijkheden. Haar voornaamste beteekenis werd wel gezien (behalve in het getuigen der overheid voor de waarde van de godsdienstige gevoelens) in haar preventieve werking.

Lit.: Baelde, Studiën over godsdienstdelicten (proefschr. Leiden 1935; met uitvoerige hist. uiteenzettingen); Bijvoet en Duynstee, in: Annalen der Ver. tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Kath. in Nederland (jg. 1932, afl. II); de gedachtenwisseling over deze artikelen t.z.p. (afl. III); Pompe, in: De Tijd (April 1932). Pompe.

b) Belg. Recht. Godslastering is in België niet strafbaar.