Geslacht betekenis & definitie

Geslacht - 1° Geslacht is in de logica een der

praedicabilia of zegbaarheidsgronden, nl. het algemeene begrip, dat als onvolledige wezensbepaling van een subject kan worden gezegd, welks inhoud aan verschillende ➝ soorten gemeen is, en in welks omvang verschillende soorten zijn vervat, bijv. het begrip „levend wezen” (omvat plant, dier, mensch).

Lit.: J. Th. Boysens, Logica (1923).

F. Sassen.

2° Biologie,
a) In den zin van genus, ➝ Soortvraagstuk.
b) In engeren zin (sexus masculinus en s. femininus) duidt dit woord de twee vormen aan, waaronder bij den mensch, bij de meeste dieren en bij talrijke planten, de individuen voorkomen, die door bevruchting de voortplanting van de soort verzekeren. Primair zijn de ♂ (mannelijke) en ♀ (vrouwelijke) individuen te herkennen aan de geslachtsklieren, practisch aan de uitwendige geslachtsorganen. In vele gevallen zijn beide geslachten nog gekenmerkt door secundaire geslachtseigenschappen (➝ Dimorphisme). Bij den mensch, evenals bij de dieren, die het verschijnsel van het gonochorisme kennen, komt soms een omkeer voor in de secundaire geslachtskenmerken. Deze laatste staan onder den invloed van de werking der geslachtsklieren, die in het bloed sommige stoffen (hormonen) afscheiden, waardoor de ontwikkeling van bepaalde organen wordt beïnvloed. Zoo bijv. is, bij het huishoen, de haan gewoonlijk gekenmerkt door spitse en lange hals- en zadelvederen, een grooten rechtstaanden kam, lange kinlellen en sporen; bij de hen ontbreken de sporen, zijn de vederen korter en meer afgerond, en hebben kam en kinlellen een karakteristieken vorm. Door vsch. genetici zijn nu bij het huishoen een groot aantal spontaan optredende gevallen van geslachtsomkeer beschreven, waarbij genetische hennen één of meer secundaire geslachtskenmerken van den haan hebben aangenomen en vice versa. Het meest extreem geval is het door Crew beschrevene, waarbij een hen, na bevruchte eieren te hebben gelegd, tot een normalen haan uitgroeide en een jonge kip bevruchtte, zoodat deze genetische hen, tengevolge van geslachtsomkeer, niet enkel den kam, het gevederte en de sporen van een haan vertoonde, doch de mannelijke gonaden tot zoodanige ontwikkeling had gebracht, dat zij vader van twee kuikens werd. Langs experimenteelen weg kunnen vsch. vormen van geslachtsomkeer te voorschijn worden geroepen, wat een dieper inzicht heeft gebracht in het mechanisme der geslachtschromosomen en in de werking van de hormonen der geslachtsklieren. Bij den mensch heeft het uitblijven der werking van de hormonen der mannelijke geslachtsklieren (bijv. door castratie) voor gevolg, dat de baardgroei achterwege blijft en de stem hooger en zwakker wordt, terwijl, in het omgekeerd geval, de stem bij de vrouwen krachtiger en dieper wordt en de baard zich ontwikkelt.

Lit.: E. Schwarz, Geschlechtsumkehr beim Haushuhn, in Der Züchter (1931).

Dumon.

3° Philologie.
a) G. van zelfstandige naamwoorden. In vsch. groote taalgroepen wordt het geheele complex van zelfst. naamwoorden, waarover de taal beschikt, in een vast aantal categorieën, zgn. geslachten of genera, ingedeeld. Meestal zijn het niet de nominale woordvormen zelf, die daarvan het kenteeken dragen, maar de zinsleden, die daarmede in een bijzondere betrekking staan, als bijv. de toegevoegde lidwoorden, pronomina, die ernaar terugwijzen enz. (congruentie). Allerlei waardeeringsnuancen en uitdrukkingsmomenten van de benoemde objecten spelen bij de indeeling een rol. Zoo worden bijv. in vsch. Munda-talen van Voor- en Achter-Indië de namen der levende wezens (genus animatum) als een hooger gewaardeerde categorie tegenover die der levenlooze wezens (genus inanimatum) gesteld; in het San der Bosjesmannen uit Z.W. Afrika vallen alleen de namen van personen (genus personale) onder de hoogere categorie. Van groot belang is ook de tegenstelling tusschen het mannelijk en het vrouwelijk g. (genus masculinum en genus femininum). In sommige primitieve talen blijft dit indeelingstype tot de namen van personen beperkt en stelt men dus enkel de namen van mannen tegenover die van vrouwen (het zgn. natuurlijk g.). In andere talen, zooals bijv. die der Hamieten en Semieten uit N. Afrika en Z.W. Azië, gaat de ontwikkeling echter veel verder, en kunnen ook de aanduidingen voor levenlooze voorwerpen onder het mannelijk of het vrouwelijk g. vallen (het zgn. grammaticale of formeele g.). In de Indo-Eur. talen is naast het mannelijk en het vrouwelijk nog een derde g., het onzijdig of neutrum, ontstaan. Zoo wordt de indeeling der zelfst. naamw. hier van beslissende beteekenis voor geheel het taalsysteem. Voor de verzwakking van het genus-gevoel in de contemporaine Ned. dialecten, getoetst aan de vormen van de begeleidende lidwoorden, zie men de taalkaart bij een artikel van J. van Ginneken: De gesch. der drie geslachten in Ned., in Onze Taaltuin (III 1934).
b) G. van werkwoorden. Door de vsch. genera of g. van het werkwoord wordt uitgedrukt, hoe het subject zich tot de genoemde verbale handeling verhoudt. Meestal onderscheidt men enkel tusschen een ➝ actief en een ➝ passief, naargelang het subject de handeling stelt of juist ondergaat. Zoo luidt het bijv. in het Latijn „ amo” „ik bemin”, maar amor „ik word bemind”. In het Grieksch komt daarnaast echter nog een derde genus voor, het zgn. ➝ medium, dat van een bijzonder fijne aanvoeling van de verbale situatie getuigt en oorspronkelijk alleen aangeeft, dat het subject op de een of andere wijze persoonlijk bij de actie betrokken is, daarbij een speciaal interesse heeft; eldo-mai = ik wensch. In de meeste moderne W. Eur. talen wordt vooral het passief gaarne door omschreven vormen weergegeven (hulpwerkwoorden); Ned. hij slaat, maar: hij wordt geslagen.

Wils. Lit.: G. Royen, Die nominalen Klassifikationssysteme in den Sprachen der Erde (Mödling bei Wien 1929).