Genius betekenis & definitie

Genius - eigenlijk en oorspr.: het voortplantingsprinciep; en aldus heel gauw tot familiegodheid ontwikkeld. Vervolgens heeft ieder persoon van het mannelijk geslacht zijn g. bij de Romeinen, zooals de Grieken hun daemon hadden.

De vrouwen hadden een zgn. Juno, die ongeveer dezelfde, beschermende, of ook wel verleidende, rol vervulde.

Men offerde den g. wijn en bloemen en koekjes en reukwerk. De naam g. werd bovendien gegeven aan den geest, of de abstracte idee, van een godheid.

Zoo spreekt men zelfs van Jupiter’s g., in onderscheiding van hemzelf. Ook corporaties van allerlei aard kregen natuurlijk hun g. of beschermgeest; gebouwen, scholen, markten enz.

Dat men er aldus toe kwam den g. des keizers te eeren nog vóór men hemzelf aanbad, ligt geheel in de lijn. Slijpen. Gewoonlijk wordt de g. van personen in de kunst voorgesteld als een man met toga, die den hoorn des overvloeds draagt, of als een offeraar, met het uiteinde van zijn toga over het hoofd getrokken en den beker van het plengoffer in de hand. De g. van de stad Rome was een man met baard, die een diadeem droeg en den hoorn van overvloed en den scepter hield; de g. van een oord werd afgebeeld als een serpent, symbool van vruchtbaarheid en eeuwige jeugd.E. De Waele.