Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 04-07-2019

Geld

betekenis & definitie

Geld - is een economisch goed, dat tot taak heeft het ruilverkeer te vergemakkelijken en daartoe de eigenschap moet bezitten: 1° algemeen begeerd en gemakkelijk deelbaar te zijn; 2° de waarde van goederen en diensten te kunnen noemen. G. is een product van het ruilverkeer en dit laatste op zijn beurt van de arbeidsverdeeling.

Oorspr. had dit ruilverkeer in natura plaats, d.w.z. door ruiling van goed tegen goed en van dienst tegen dienst. Omdat echter het zoeken van de gewenschte tegenpartij dikwijls moeilijk en het afpassen van goederen en diensten niet altijd mogelijk was, ontstond vanzelf de behoefte aan een goed, dat altijd en door iedereen begeerd en gemakkelijk deelbaar was en dit goed is men g. gaan noemen.Aanvankelijk ziet men een of ander goed, dat reeds voorwerp was van geregelden ruil, de nevenfunctie toebedeeld om gelddienst te verrichten: vee, rijst, thee, tabak enz.; later komen edele metalen (goud en zilver) hun plaats innemen, immers zij hebben het voordeel van duurzaam, homogeen, gemakkelijk deelbaar en stempelbaar te zijn, een groote waarde te hebben in klein bestek, waardoor zij zonder veel kosten vervoerd en opgeslagen kunnen worden; nog later, wanneer de productie van edele metalen de ontwikkeling van het ruilverkeer niet kan bijhouden, neemt men zijn toevlucht tot zgn. fiduciaire ruilmiddelen (Lat. fiducia = vertrouwen), d.i. betalingsbeloften in den vorm van munt en bankbiljetten, ook wel papieren g. genoemd, dat het groote voordeel heeft, dat de aanmaak zeer weinig kost, zoodat groote bedragen voor den aankoop van goud en zilver worden bespaard.

De eigenschap van waardenoemer eischt een andere, zeer gewichtige, nl. waardevastheid. Dit beteekent niet: onveranderlijkheid van de waarde van het g. (hetgeen onmogelijk is, omdat g. een econ. goed is en dientengevolge onderworpen aan de werking van vraag en aanbod), maar alleen: minimale vatbaarheid voor waardeschommelingen.

Naast het g. kent men nog geldssurrogaten in den vorm van den → wissel, de → chèque en het girobiljet (→ Giroverkeer), die het voordeel hebben zelfs het papieren g. te vervangen. Zie voorts → Geldtheorie; Geldswaarde; Devaluatie; Inflatie.

Lit.: L. Mises, Theorie des Geldes und der Umlaufsmittel; M. A. Robertson, Money; Karl Helfferich, Das Geld; Hartley Withers, The meaning of money; Prof. H. Frijda, De theorie v. h. geld en het Ned. geldwezen.

Vorstman. In de ontwikkelingsgeschiedenis van het g. is het nog niet gelukt, de karakteristieke vroegste vormen van het g. onder te brengen bij de afzonderlijke phasen der → cultuurkringen. Bijna overal, waar de primitieve cultuur voorkomt, treft men echter verschillende typen van betaalmiddelen aan, waarvan men, in verband met den toenemenden → handel, ongeveer den volgenden ontwikkelingsgang zou kunnen veronderstellen. De oudste vorm van ruilhandel zal wel geweest zijn het over en weer inruilen van voorwerpen, dus zonder dat daarbij speciale betaalmiddelen te pas kwamen. Langzamerhand werden dingen, die algemeen begeerd werden, of dingen, die om hun zeldzaamheid een zekere waarde hadden, bij voorkeur als ruilmiddel gebruikt, omdat men ervan verzekerd kon zijn, dat zij overal aanvaard werden. Zoo’n rol spelen bijv. katoenen stoffen in Afrika en schelpen in Oceanië. Vooral de Kaurischelp (Cypraea moneta) wordt in bijna de geheele wereld der primitieven als betaalmiddel gebezigd.

De volgende stap was het geleidelijk ontstaan van een vaste waardeverhouding tusschen de betaalmiddelen en de afzonderlijke soorten van goederen en tusschen de vsch. betaalmiddelen onderling (zoo bestaat er bijv. op Nieuw-Guinee een vaste waardeverhouding tusschen schelpgeld en varkenstanden). Terwijl de laatstgenoemde ontwikkeling nog voortging zich te voltrekken binnen de grenzen der volken met laagstaande beschaving, volgde de beslissende sprong naar g. in engeren zin pas bij den overgang naar hoogere beschaving. De betaalmiddelen danken dan voortaan hun geldigheid niet meer aan hun waarde als gebruiksvoorwerp of als sieraad, maar aan het gezag van den staat. Het meest karakteristieke voorbeeld van dezen verst ontwikkelden vroegen vorm is het steenen g., dat in zich geen gebruiks- of sierwaarde heeft, maar dat op gezag van de vorsten in omloop werd gebracht op het eiland Jap in Micronesië, tijdens de heerscherscultuur van Polynesië.

Lit.: Andree, Ethnogr. Parallelen und Vergleiche (1878); Lang, Über Geld bei den Naturvölkern (1895); Schurtz, Grundr. einer Entwicklungsgesch. des Geldes (1898); Thilenius, Primitives Geld, in: Archiv für Anthropologie (Neue Folge 18, 1920) ; F. Graebner, Handel bei den Naturvölkern (Andrees Geogr. des Welthandels I 1909).

Trimborn.