Gaasterland betekenis & definitie

Gaasterland - gemeente in Frieslands Z.W. hoek; opp. 8870 ha, omvattende de dorpen Balk (hoofdplaats per gem.), Wijkel, Sondel, Nije-Mirdum, Oude Mirdum, Rijs (met de bekende lindenlaan), Mirns, Bakhuizen, Harich en Ruigahuizen; ca. 5900 inw. (1934), waarvan 50% Ned. Herv., 20% Gereformeerd, 21% Kath. (vgl.

Friesland: 6,98%) en 4% onkerkelijk. De Kath. behooren tot de parochies Balk en Bakhuizen.

Rijs bezit „Mooi Gaasterland”, een kindervacantiekolonie van den Bond van R.K. Werkl.

Ver. in het aartsbisdom. Geologisch is G. merkwaardig om zijn Glaciaal Diluvium (➝ Friesland, sub Opbouw).

In G. is land- en tuinbouw, veeteelt, eenige industrie en vreemdelingenverkeer. Meer dan door den trein, is G. door fiets en auto uit zijn vroeger isolement verlost.

G. is bekend door zijn natuurschoon: bosschen, hoogten (gaast = zandige hoogte), kliffen, IJselmeer en Friesche meren, Kippenburg, waar eens de zgn. Wilde markt gehouden werd en in den voor-Christelijken tijd de Friezen hun vergaderingen in de bosschen hielden.

De ontdekking van een hunnebed in 1849 (sedert vernield) wijst er op, dat G. een der vroegst bewoonde deelen van Friesland was.van der Meer.