Weemoedig mijmerend gedicht over eigen ongeluk of leed, uiting van heimweevol en onvervuld verlangen, klacht over afscheid van geliefde, land of leven, ook In Memoriam bij den dood van geliefden. Bijv.
Rilke, Duineser Elegien; G. Duhamel, Elégies; Hél.
Swarth. v. d. Eerenbeemt Geschiedenis.
Bij de Grieken is de e. ontstaan in Ionië, alwaar zij de erfgename was van het epos. Zelfs al zou de naam e. een Klein-Aziatisch leenwoord zijn, dat niets anders was dan een klachtroep en al is later weer het woord synoniem geworden van „klaaglied”, toch zijn de oudste bekende elegieën in den regel geen klachtliederen, maar veeleer bevatten zij opwekkingen tot onversaagden moed (Callinus, Tyrtaeus), raadgevingen op het gebied van vroomheid en practische levenswijsheid (Phocylides, Solon, Theognis, Xenophanes), politieke of sociale theorieën (Solon, Theognis), een enkele maal ook droefgeestige beschouwingen over de liefde en het menschelijke leven (Mimnermos).
Met zijn liefdesgeschiedenis „Ludè” bereidt Antimachus van Colophon voor op de Alexandrijnsche verhalende en erotische e. (Philetas, Hermesianax, Phanocles, Callimachus). De e. is gedicht in distichen, die bestaan uit de opeenvolging van een hexameter en een pentameter.
Het epigram is niets anders dan een tot een paar distichen toegespitste elegie.De Romeinen namen niet enkel den distichenvorm over, doch volgden ook de Grieken na, in het bijzonder de Alexandrijnen, wat den inhoud en den toon betreft. Daarbij echter gaven ze de voorkeur aan de subjectieve, sentimenteele liefdesklacht, een genre, waarin buiten Catullus en Ovidius, Tibullus, Sulpicia en Propertius uitmuntten, om niet te gewagen van een talrijke schaar tweederangsdichters, w.o. de zeer late dichter Maximianus (6e eeuw). V. Pottelbergh