Drainage betekenis & definitie

1° in de landbouwk. het afvoeren van het overtollige water uit den grond naar de slooten door ondergrondsche leidingen.

Geschiedenis. Drainage was reeds bij de Romeinen bekend in den vorm van ten deele met steenen, grint of takkenbossen en voor de rest met aarde gevulde greppels. Deze methode, waarbij als vulmateriaal voor de greppels ook wel turf en slootriet gebruikt worden, vindt nog wel toepassing bij het draineeren van boomgaarden en terreinen met slappen ondergrond. De eigenlijke drainage dateert echter pas van 1843 toen John Read de gebakken aarden draineerbuizen uitvond. In Nederland voor het eerst in 1845 toegepast, heeft het draineeren een groote uitbreiding ondergaan.

Uitvoering.

Bij grootere terreinen worden eerst de noodige gegevens omtrent de gesteldheid van den ondergrond, het natuurlijk verval enz. verzameld en aan de hand daarvan het plan van aanleg (drainplan) opgemaak. Een en ander wordt vastgelegd op een drainkaart. Op het terrein worden daarna de greppels uitgelijnd, waarin de drainbuizen moeten komen. Deze greppels worden zoo smal mogelijk gemaakt (afb. 2), voor welk werk men in Zeeland gebruik maakt van de zgn. boorschop. Met behulp van rooilatten, zichtjes of vizierlatten geeft men den bodem van de greppel de noodige helling. Oneffenheden van den bodem worden weggenomen met de buizen- of pijpboor, bij de breedere greppels in Groningen met de brokschop, ballastschop of den luierman.

Met de pijpboor wordt op den bodem van de greppel een gootje gemaakt, waarin de buizen met de hand of, bij smalle greppels, met den leghaak worden neergelegd. De 30—32 cm lange, rolronde buizen, al of niet voorzien van een kraag (afb. 4), worden tot een drainreeks of drainstraal aaneengesloten. Het water komt via de stootvoegen in de zuigdrains en wordt dan door deze zameldrain geschiedt als regel zooals in afb. 5 aangegeven. Gewoonlijk worden de zuigdrains in de richting van de natuurlijke helling van het terrein gelegd en wel zóó, dat zij schuin in de slooten of verzamelreeksen uitmonden (lengtedrainage); bij sterk hellende terreinen echter komen de verzamelreeksen wel in de richting der natuurlijke helling, terwijl de zuigdrains er diagonaal, d.i. onder een hoek van 45°, in uitmonden (diagonaaldrainage). In het vlakke polderland moet aan de drainreeksen kunstmatige helling in de richting der bestaande slooten worden gegeven. Deze bedraagt bij drainreeksen van 100—160 m lengte en een inwendigen buisdiameter van 4—5 cm meestal 0,3—0,4% (d.i. 30—40 cm per 100 m); bij korte drainreeksen is 0,1—0,15% verval voldoende.

De diepte, waarop men kan draineeren, hangt vooral van het slootpeil af; zoo mogelijk wordt geen geringere diepte dan 90 cm van het hoogste punt der drainreeks genomen. De afstand der reeksen wordt bepaald door de hoogste punten,want ook hier moet het land nog goed ontwaterd kunnen worden. Op zware grondsoort wordt de afstand op 7 maal, op middelmatige zware grondsoorten op 8—10 maal en op lichte grondsoorten op 10—15 maal de diepte (van het hoogste punt) genomen.

De eerste buis van een reeks wordt aan het vrije uiteinde met een steen of plankje afgesloten. Zoo spoedig mogelijk worden de buizen met aarde bedekt; is de grond te fijn, dan komt eerst wat turfstrooisel, slootriet, zoden of papier op de buizen. De uitmonding der reeksen in de slooten worden met houten, steenen of extra gebakken (om stukvriezen te voorkomen) buizen tot stand gebracht, welke langer zijn om verzakken te voorkomen (eindbuizen).

Langzaam slibben de stootvoegen dicht en laten geen water meer door, de buizen zelf worden door afzetten van kleideeltjes langs den wand nauwer. Zoodra de drainage minder goed gaat functionneeren worden óf nieuwe reeksen tusschen de bestaande gelegd, óf worden de laatste opgegraven en schoongemaakt, om daarna weer opnieuw gelegd te worden. Machinaal schoon maken zonder opgraven vindt eveneens toepassing. De laatste jaren zijn verschillende systemen van machinaal draineeren uitgedacht. Bij de moldrainage (afb. 6) worden met een daartoe speciaal geconstrueerden ploeg (molploeg) op de gewenschte diepte kanaaltjes met vrij vaste wanden (mollegangen) door den grond getrokken, die de rol van drainreeksen moeten vervullen. Ook worden in deze gangen machinaal gewone drainbuizen, houten kokers of uit roestvrij staalband schroefvormig gewonden buizen (methode Sack) getrokken.

Lit.: J. Z. ten Rodengate Harissen, Grondverbetering (I * 1931); Krüger, Kulturtechn. Wasserbau (1921). Dewez 2° Een in de koloniale politiek ingeburgerde aanduiding van het verschijnsel, dat de vruchten van in koloniale gebieden geïnvesteerd kapitaal benevens de aldaar in beperkte hoeveelheid aanwezige bodemschatten aan het koloniale gebied onttrokken worden zonder dat zij den inheemschen bevolking ten bate komen. Dit wordt door velen, uiteraard in de eerste plaats door de leiders der nationalistische beweging, gezien als een belemmering van ontwikkelingsmogelijkheden en ten deele zelfs als een positieve verarming van het koloniale gebied, en daarom heftig in pers en in het gesproken woord bestreden. Berg Sir Francis Drake Engelsch zeevaarder en kaper; * 1545, ✝ 1596. In 1572 deed hij een kapertocht naar W.Indië, plunderde verschillende plaatsen, o.a. Vera Cruz in de Golf van Mexico, en kwam in 1573 met grooten buit in de haven van Plymouth aan.

In 1577 ondernam hij met een vloot van zes kleine schepen een tocht naar het Z. deel van den Atlantischen Oceaan, al kapende voer hij door de Straat Mage liaan en langs de kust van Chili en Peru tot Californië, stak over den Grooten Oceaan naar de Molukken, keerde over Java en Kaap de Goede Hoop naar het vaderland terug en volbracht hiermee den tweeden tocht om de wereld (1577—1580). Ondanks de klachten van den Spaanschen gezant over D. werd hij door koningin Elisabeth in den adelstand verheven. In 1585 maakte hij weer een tocht naar W. Indië; op de thuisreis stak hij de Spaansche vloot in de haven van Cadiz in brand en in 1588 nam hij deel aan den strijd tegen de Armada. Zijn laatste kapertocht was in 1595 met zijn bloedverwant sir John Hawkins naar W. Indië, waar beiden in 1596 stierven voor Puerto Belo in Panama. De bewering, dat Drake en Raleigh den aardappel het eerst in Europa hebben gebracht, is niet juist; wel hebben zij de verbreiding er van bevorderd.

Lit.: Drake, Frans’ Leben und Seereisen, nebst seiner Entdeckung der Kartoffeln (1815); H. R. Wagner, sir F. Drake’s Voyage around the World (1926). de Visser